“Deutsche Hörer!” – Thomas Manns radiotoespraken

Thomas Manns eerste radiotoespraak tijdens WOII vertaald in het Nederlands. “Duitse luisteraars!”

Tot mijn teleurstelling is het feit dat Thomas Mann in de Tweede Wereldoorlog radiotoespraken  tegen het nazidom heeft gehouden nauwelijks bekend in Nederland. Vergelijk de toespraken op Radio Oranje. Ook tot mijn teleurstelling houden klaarblijkelijk auteursrechten het nu nóg tegen om deze tekstmonumenten, na zovele jaren, publiek te maken via het wereldwijde web: het cultuurhistorische belang van deze toespraken is te groot om nog langer vast te houden aan de beperkingen van het auteursrecht. Cynisch zou ik eraan toe kunnen voegen dat “we toch al geen Duits meer konden verstaan”, maar dat doe ik niet.

Thomas MannHieronder volgt mijn vertaling van Manns eerste toespraak op 1 november 1941 die hij hield voor de BBC. Het is een tamelijk letterlijke vertaling. Weliswaar is het niet zo lastig om er een moderne variant van te maken, die meer recht doet aan het huidige Nederlandse idioom, maar meelezen lukt dan niet meer, en bovendien vat ik dan niet de tijd en de toon, die inderdaad voor sommigen hoogdravend mag heten. Hoe dan ook: een monument in geluid en tekst. Een oordeel over de inhoud van de toespraak laat ik over aan uw “individueel geweten”. Men hoort brisante zaken!

Klik hier en lees dan hieronder mee: http://www.youtube.com/watch?v=25YNc5bX7xY

Duitse luisteraars!

Hem die thans weer tot u spreekt, was het vergund om in het verloop van zijn nu al lange leven, voor het geestelijk aanzien van Duitsland een en ander te doen. Ik ben er dankbaar voor, maar ik mag mij er niet op laten voorstaan, want het was mijn lotsbeschikking en niet mijn bedoeling. Geen kunstenaar doet zijn werk om de roem van zijn land en volk te vermeerderen: de bron der productiviteit is het individuele geweten.

Gij Duitsers moogt mij heden niet dankbaar zijn voor mijn werk, ook niet indien gij dat zoudt willen, wellicht juist daarom. Het is niet om uwentwille, doch uit eigen innerlijke noodzaak verricht. Maar iets is er, wat werkelijk om uwentwille is gedaan; iets wat voortgekomen is uit een sociaal geweten en niet uit een privaat geweten. En dagelijks ben ik er zekerder van dat de tijd komen zal, en zij komt naderbij, dat gij mij erom danken zult, en, ge zult het mij hoger aanrekenen dan mijn geschiedkundige werken.

Namelijk, dat ik jullie gewaarschuwd heb, toen het nog niet te laat was, voor de verderfelijke krachten onder wier juk gij nu hulpeloos ingespannen zijt; krachten waardoor gij nu door duizenden ondaden in een onvoorstelbaar verderf gestort wordt. Ik kende hen! Ik wist dat er niets anders dan catastrofe en ellende voor Duitsland en voor Europa uit hun zo onuitsprekelijk verdorven wezen kon voortkomen, terwijl het merendeel van u, heden waarschijnlijk in voor uzelf onbegrijpelijke verblinding, hen voor brengers van orde, schoonheid en nationale waardigheid aanzag.

Denkt men niet aan Goethes spreuk over de vrome Duitse natie, die zich pas echt verheven voelt, als al haar waardigheid te grabbel is gegooid?

Ik kende ook u, goede Duitsers, en uw feilbaarheid in het begrijpen van uw ware eer en waardigheid. En het feit dat ik destijds in oktober 1930, mijn eigen natuur overwinnend, de politieke arena betrad, en in de Berliner Beethovensaal, toen al onder brullende onderbrekingen van naziknapen, de redevoering hield  – een enkeling onder u staat het wellicht nog voor de geest – die ik “Appèl aan het verstand” noemde, ofschoon zij toch een appèl aan al het betere Duitserschap was, is voor mijn geweten een grotere geruststelling, al mag het allemaal tevergeefs zijn geweest, dan alles wat ik met groter succes als kunstenaar heb kunnen volbrengen.

Ik heb met mijn zwakke krachten gepoogd te verhinderen wat wel móest komen, en wat er nu sedert jaren is, namelijk de oorlog, waarvan uw leugenachtige leiders de schuld geven aan Joden, Britten, vrijmetselaars en, God weet wie nog meer, terwijl hij toch voor iedereen die wilde en kon zien met gewisheid afzienbaar was, van dát ogenblik af, dat zíj aan de macht kwamen en begonnen aan de bouw van de machinerie door welke zij menen vrijheid en recht te kunnen platwalsen.

En wat voor een oorlog is het, in welks boeien gij u verstrikt! Een onafzienbaar, verwoestend, hopeloos avontuur, een moeras vol bloed en misdaad, waarin Duitsland dreigt af te zinken. Hoe ziet het er bij u uit? Denkt gij, wij buiten weten het niet zo goed als gijzelf? Verwildering en ellende grijpen om zich heen; zonder scrupules wordt uw mannelijke jeugd tot en met de achttien-, de zestienjarigen, de moloch des oorlogs geofferd ten getale van honderdduizenden, miljoenen. Er is geen huis meer in Duitsland dat geen echtgenoot, zoon of broer heeft te betreuren.

Het verval zet in.

In Rusland ontbreekt het aan artsen, verplegend personeel, verpleegmiddelen. In Duitse veldhospitalen en ziekenhuizen worden de zwaargewonden, samen met bejaarden, gebrekkigen, geestelijk gestoorden, door gifgas ter dood gebracht. Tweeduizend van drieduizend, zo vertelde een Duitse arts, in slechts één inrichting. Dat doet datzelfde regime dat begint te brullen als Roosevelt het ervan beschuldigt dat het christendom en alle religie wil vernietigen. En dat voorwendt een kruistocht voor christelijke beschaafdheid tegen het bolsjewisme te voeren. Tegen het bolsjewisme, waarop het zelf een smerigere on-variant zonder weerga is.

Het christelijke antwoordspel op de massale vergassingen zijn de zogenaamde paringsdagen, waarop soldaten op verlof met meisjes van de Duitse Bond[1] voor dierlijke huwelijken-voor-een-paar-uur tezamen worden gecommandeerd om zo staatsbastaarden voor de volgende oorlog te fokken. Kan een volk, een jeugd, dieper zinken? Gruwel en lastering van menselijkheid, waarheen gij ook kijkt.

Ooit verzamelde een herder[2] liefdevol de volksliedjes der landsdelen. Dat was Duitsland in zijn goedheid en grootsheid. Heden weet het niets anders dan volkeren- en massamoord, stompzinnige vernietiging. Driehonderdduizend Serviërs zijn, niet ín de oorlog, maar ná de oorlog met dit land, door u Duitsers op het bevel der vermaledijde schoften die u regeren, omgebracht.

Het onzegbare wat er in Rusland, wat er met de Polen en Joden gebeurd is én gebeurt, weet gij. Maar gij wilt het liever niet weten, op grond van terechte afschuw voor de eveneens onzegbare, reusachtig groeiende haat, die op een dag, als uw volks- en machinekrachten verlamd zijn, boven uw hoofd uitbarsten zal. Ja, vrees en afgrijzen voor deze dag is op zijn plaats.

En uw leiders buiten het uit! Zij die u tot deze schanddaden hebben verleid, zeggen u, nu hebt gij ze begaan, nu zijt gij onlosmakelijk aan ons gekluisterd, nu zult gij doorgaan tot aan het bittere einde, anders zal de hel over u komen.

De hel, Duitsers, kwam over u, toen deze leiders over u kwamen. Naar de hel met hén en al hun kleingeestige trawanten! Dan kan er altijd nog redding, dan kan er vrijheid en vrede voor u zijn.


[1] „meisjes van de Duitse Bond“: Bund deutscher Mädel, BdM-Mädel
[2] Jacob Grimm

De uitnodiging voor het welzijn

Kain en Abel, menselijk welzijn, condition humaine, vloedgolf, egoïsme, zelfzucht, natuurgeweld, moord, Dimitri Verhulst, de was naar binnen halen.

In Academia krijg je veel uitnodigingen voor lezingen. Ik kreeg er een; of ik een artikel wilde schrijven over het “menselijk welzijn wereldwijd”, en dan vooral over de plaatselijke motregens en over de droogten, waarin het neervalt of uitblijft. En hoe “wij in Academia” dat nou eens even interdisciplinair voor de wereld gaan oplossen. Hoera! Eindelijk! Men had de weg naar mijn deur gevonden voor de beantwoording van het wereldraadsel. Ik dacht na.

Geachte heer X,

Dank voor uw uitnodiging. Zij ontroert mij wegens het thema: het verspreiden van welzijn onder de mensen. Inmiddels heb ik al teveel gelezen en gezien om nog te kunnen denken dat de “condition humaine” voor verbetering vatbaar is. In bijbelse termen: we leven in een gebroken wereld. De broer van Abel heet Kaïn; altijd zullen er Kaïns zijn.

 

Ik voorzie niet dat “de mens” ooit in staat zal zijn om rationeel en weldoordacht in rust en vree zich te bewaren voor zelf veroorzaakte natuurschade of oorlogsgeweld. Hij handelt pas op het moment dát de nood letterlijk voor de eigen deur staat, in de vorm van vloedgolf of moordpartij.

Misschien heb ik te hard gelezen in Dimitri Verhulsts “Godverdomse dagen op een godverdomse bol”? –Verhulst schetst het beeld van het beest “mens”, een op zelfbehoud gericht, allesvretend, rondneukend wezen.– Het kan.

Ik trek mij er maar aan op dat er ook prettigere exemplaren zijn: als de wereld gebroken is, zijn er ook nog mooie scherven. Maar, helaas, voor het geheel, houd u vast, doe uw gordel om en bid, als u nog bidden kunt. Het vasthouden uws naasten is ook een mogelijkheid en komt misschien op hetzelfde neer.

Ergo, hierbij wil ik u veel plezier wensen bij het organiseren van de conferentie. Ik voel een bui opkomen en moet de was nog naar binnen halen.

Altijd weer,
EvB

Duits en Timmermans en grammaticaonderwijs

Zonder onderwijs in traditionele zinsontleding op de basisschool gaat het steeds meer bergafwaarts met de vreemdetalenkennis in Nederland. Timmermans opmerking dat Nederlanders beter Duits moeten leren, is dan ook, zonder herstel van dit onderwijs, weinig waard.

Op de geestige column van dhr. Bart Braun naar aanleiding van Timmermans’ opmerking dat “Nederlanders beter Duits moeten leren spreken”, heb ik een open brief geschreven aan Braun en Timmermans. Het punt is: begin bij de basis, begin bij herstel van het traditionele grammaticaonderwijs op de basisschool. Zonder die kennis lukt het niet. Zonder die kennis zal de vreemdetalenkennis in Nederland alleen maar achteruitgaan, nog afgezien van de kennis van de moerstaal.

Sehr geehrter Herr Braun, lieber Kommilitone!

Danke für Ihre auf „Steinkohledeutsch“ geschriebene Kolumne, deren Wortlaut mir manches Lächeln entlockt hat. Zwischen den Zeilen las ich…  Maar wacht, laat ik verder gaan in het Nederlands, anders leest geen kip dit, zeker niet de eerstejaarskuikentjes op de rechtenfaculteit die nog steeds zwoegen op de regels van het kofschip, terwijl zij nota bene verondersteld worden wetenschappelijke vertogen in Oxford English te kunnen houden, quod non.

Welnu! Tussen de regels door waren er in uw balorige kattebel enige scherpe kanttekeningen te vinden bij de uitlating van de minister van BZ dat Nederlanders beter Duits moeten leren. Daar ik behoor tot de inmiddels zeldzaam geworden germanisten aan de Leidse universiteit, leek mij Timmermans opmerking op het eerste gezicht uit het hart gegrepen, maar toen ik deze nader overwoog, wat na liet garen in mijn hersenpan, kreeg zij allengs de geur van een scheet voor de kiezersbühne, al is zij een sympathieke.

Tenzij zijne excellentie de collega-minister van onderwijs overtuigt en er een scherpere, soberdere, strakkere visie op talenonderwijs komt, zal het alleen maar meer gaan stinken. Laat ik voor de verandering eens niet klagen over het hemelschreeuwende geldgebrek, maar laat ik de wortel van het probleem benoemen, waarvan de oplossing nu eens niet op ’s Rijks begroting drukt.

Het probleem is dat er nauwelijks nog degelijk klassiek onderwijs in traditionele grammatica gegeven wordt. Tegenwoordig betekent zinsontleding in het basisonderwijs “gezellig kleuren”: we zetten een kleurtje onder een bepaald zinsdeel, want o nee, stel je voor dat je een tienjarige begrippen als “onderwerp” of “lijdend voorwerp” moet leren. Dat kan niet hoor. Deze gezellige vrijblijvendheid kabbelt voort in het vervolgonderwijs: voor de gemiddelde tweedeklasser op het VWO bestaat tegenwoordig een zin uit een onderwerp, het gezegde en “de rest”. Wat die rest dan is? Tsja… Geen wonder dat het niets meer wordt met Duits, Frans, Latijn, laat staan Chinees.

Liebe Exzellenz Timmermans, vandaag pleit ik niet voor meer geld, maar voor programmatische versobering, “verstrenging”, als u wilt. Weet u wat nu er nu staat in de Kerndoelen voor het Primair Onderwijs? –U hebt ze vast nog wel even doorgenomen voordat u uw uitlating deed – In dit ambtenarenproduct staat: Traditioneel ging het vooral om grammatica, maar tegenwoordig gaat het vooral om inzicht in eigen en andermans  taalgebruikstrategieën, zodat een kind leert deze steeds bewuster en doelgerichter in te zetten.

Wat is dit voor hokuspokus-managersjargon? Dit veronderstelt dat een twaalfjarige op hoog abstract niveau reflecteert, ja hermeneutisch briljant is. Wie brouwt toch dit soort onwelriekende onzin om ieder in kiezersland te apaiseren? Ik wil dat u klip en klaar opneemt dat leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs moeten kunnen ontleden! Ik wil verdorie geen gekleur meer! Ik wil maatstrepen in een zin met daaronder benamingen als onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp, enz. is. De hermeneutiek kan wachten, als je twaalf bent.

Als u mijn simpel advies overneemt, zult u zien dat op den duur het leren van vreemde talen een stuk gemakkelijker gaat en er bijgevolg weer meer mensen beter Duits, Frans, Spaans, enz. spreken, althans begrijpen. Tot dat moment van klassieke versobering hebt u voor mij een wind gelaten.

Met Herr Braun zet ik alvast het raam open, met uw welnemen.

Deze brief is in Mare, het Leids Universitair Weekblad (36ste jaargang, nr. 10) gepubliceerd:  http://www.mareonline.nl/archive/2012/11/21/brieven-duits#.UK4Ei8wt4mw.facebook

Bespreking “Imperium” Christian Kracht

Zeer positieve recensie “Imperium”, roman van Christian Kracht; literatuur met Duits-kolonialisme als themathiek.

De Zwitser Christan Kracht plaatst zich met Imperium bovenaan de lijst van Europese schrijvers: vertelgenot en taalvreugde omarmen elkaar in deze roman over de eerste proto-hippie-kolonie in Duits Oost-Indië.  

Maar weinig mensen weten dat het Nederlandse Koninkrijk en het Duitse Keizerrijk niet alleen in Europa, maar ook in de Oost buren waren en wel in Papoea-Nieuw-Guinea. Daar lag  in de Bismarck-Archipel het twee kilometer lange eilandje ‘Kabakon’, waar op een dag in 1902 August Engelhardt een kokosplantage begint. Uit Kakabon wil hij de zegeningen van deze heilsnoot verspreiden en zo bereiken Australië en Europa Engelhardts brochures over het uitgeroepen ‘kokovorisme’.

Deze door Engelhardt bedachte levenshouding, godsdienst welbeschouwd, behelst niet alleen een algehele onthouding van dierlijke producten en alcohol, maar prijst de kokosnoot aan als enige voedselbron, ja als de enig ware levensbron! Op grond van een paar obscure hindoeïstische geschriften meent Engelhardt dat ‘de mens het dierlijke evenbeeld van god is en de kokosnoot het plantaardige evenbeeld van de mens’. Er is immers geen andere vrucht die zo sterk op een behaarde mensenschedel lijkt en aldus wordt iedereen die zich louter met kokosnoten voedt godgelijk; hij drinkt zogezegd uit dé theosofische graal. Overigens is de ware kokovorist ook nudist.

Eclectisch kolonialisme
Dat het medisch gezien niet zo goed afloopt met mensen die alleen kokosnoten eten, behoeft tegenwoordig geen betoog. Een verkondiging van een eclectische, syncretische, proto-socialistische levenswandel met verering van de kokosnoot heeft waarschijnlijk nu dan ook geen succes meer. De afgelopen 110 jaar is niet alleen de schaal-van-vijf ontworpen, maar ook vele maatschappijvormen. ; hopelijk is de mens nu iets wijzer. Toen, in het fin-de-siècle was het allemaal onontgonnen wetenschap. Een vergelijking met het experiment Walden van Frederik van Eeden ligt dan voor de hand: net als Engelhardt wilde ook Van Eeden een kolonie opbouwen, waarin er geen geld bestaat, waarin de volgelingen autonoom zijn en waar uiteindelijk de nieuwe, betere mens opstaat.

Kracht slaagt er in om dit fragiele en wonderlijke scharnierpunt tussen nieuwe en oude inzichten te toonzetten, waarin nog een nieuwe godsdienst op basis van de kokosnoot uitgeroepen kon worden. Het is deze geestelijke cultuur, deze atmosfeer van vóór de wereldoorlogen, als het Duitse Keizerrijk, zich afficherend met zijn eeuwenoude feodale voorlopers, in moderne stoomvaart nieuwe koloniën inricht in gebieden waar andere Europese landen allang hun vlag geplant hebben. Een plek in de zon voor het moderne keizerrijk! Ein Platz an der Sonne! Nog even flikkert Duits Papoea-Nieuw-Guinea, deze onbeduidende kruimel naast Nederlandsch-Indië, op als een hippie-kolonie, totdat de autoriteiten er een eind aan maken. August Engelhardt sterft ‘in het echt’ na de Eerste Wereldoorlog, berooid en ziek op een onbekende plaats. In de roman gloort nog een vergezicht – over een nieuw imperium, een Amerikaans imperium.

Lyrisch en geestig anti-totalitarismeschrift
Kracht herschept het verleden: het historische kerngegeven van Kabakon vat hij in kundig gecomponeerde zijverhalen met sprekende karakters – het had zo kunnen zijn. Krachts stijl kenmerkt zich door een buitengewoon groot en lyrisch idioom, ook voor Duitse begrippen, en toch blijft hij elegant, in geestige bijgedachten en ironische observaties. In die zin scheert hij langs Thomas Mann; Kracht zelf grapt in het literaire programma Druckfrisch dat Erich Kästner in hem gevaren was. Een voorbeeld, waarin Kracht Engelhardts meditatievermogen schetst:

In einem Hohlraum des Selbst versinkend, erlaubte ihm das Saugen am Daumen, die Umwelt beinahe lückenlos auszublenden, ja, sich derart in sich selbst zurückzuziehen, daß jegliche an den Gestaden seinen Bewußtseins anbrandende Irritation von ihm abgehalten wurde wie eine gefräßige Motte durch ein besonders fein gewebtes Mückennetz. *

Vlak nadat de roman in Duitsland gepresenteerd was, schreef een criticus dat het een lofzang was op het totalitarisme. Met de vuilste wil van de wereld is dat er niet van te maken. Waarschijnlijk had de man het boek niet uitgelezen, want het is juist het tegenovergestelde van een lofzang op totalitarisme of een verheerlijking van kolonialisme. Zo wordt het antisemitisme bekritiseerd, zo faalt de techniek van westerse stoomvaartwereld in het geweld van de natuur en de wereldoorlogen, uit welker chloorgasdampen een nieuwe wereldorde met een nieuw imperium opstaat. Uiteindelijk blijken de oorspronkelijke bewoners van Kabakon, leden van een Papoea-stam, het wijst: zij brengen het er levend van af. Zij deden al niet mee met de fratsen van het kokovorisme.

De uiterst geslaagde vertelling is niet louter schoonschrijverij over een aandoenlijk experiment met kokosnoten: dit is ook duiding en uitleg van en kritiek op de esoterische cultuurgeest van die dagen, die langzaam op drift raakt en voedingsbodem wordt voor die ene, overbekende ‘hakenkruiser van het Duitse volk die tot in het onverdraaglijke groot kon worden’.

Als er nu nog geen Nederlandse uitgever wakker is geworden voor een vertaling – een Engelse is al in de maak – dan moet hij het nu worden: Kracht vermaakt en ontroert en verdient het om gelezen te worden achter de dijken: het Nederlandse en Duitse taalgebied waren én zijn buren, ook in Insulinde.

———————————————————————————————————

August Engelhardt, Kabakon, 1911. (foto: publiek domein)

*vertaling:

In een holle ruimte van het eigen ik afzinkend, verschafte het duimzuigen hem de mogelijkheid om bijna naadloos de buitenwereld te doen verstommen, ja, hij kon zich zo goed in het eigen ik terugtrekken dat elke irritatie die aan de oevergronden van zijn bewustzijn de kop opstak, afgeslagen werd, zoals een uitzonderlijk fijn gewoven klamboe gulzige motten tegenhoudt.

————————————————————————–

Bibliografische gegevens: 

Auteur: Christian Kracht
Uitgever: Kiepenheuer & Witsch
Prijs binnen Duitsland: € 18,99
Aantal bladzijden: 256
ISBN: 9783462041316

Deze recensie is verschenen op http://www.8weekly.nl/artikel/10154/christian-kracht-imperium-het-kokovorisme.html.

 

De Immortellen van Piet Paaltjens

Voordracht van de Immortellen van Piet Paaltjens alias François Haverschmidt

De Immortellen, de onsterfelijke bloemen van François Haverschmidt alias Piet Paaltjens, zijn een klein hoogtepunt in de Nederlandse, Leidse, academische romantiek van juveniele hand: het alias van de twintiger schrijft wat het moet schrijven, wankelend tussen verdriet en vermaak.

De klassieke scholing laat zich zien in de onderbroken benummering der Immortellen: er ontbreekt nogal wat! Paaltjens heeft, voor zover bekend, maar tien onsterfelijke bloempjes geopenbaard, doch zij tellen tot honderd.

Net als Catullus’ Carmina slaan Paaltjens Immortellen opzettelijk een groot aantal versnummers over, waardoor het lijkt of er een veel groter, nog ongekend corpus bestaat. Of misschien is deze kleine verzenoogst pas binnengehaald na een heel groot aantal worstelende pennenproeven, wat niet langer aanmatigend, maar eerder beschroomd en beteuterd overkomt.

En dat is het hart der Immortellen: spot, spleen, weltschmerz, verloren liefde, verloren vriendschap – een partijtje luddevuhduh overgoten met witte port en afgeblust met een grogje.

Toch wordt “de bleeke jongling met de veel te blauwe oogen” nooit de decadent die de dood met extase zoekt: Paaltjens toont zich in zijn Immortellen niet als een aan opium verslaafde, te modieus geklede doodzoeker die zijn tijd verbeidt in hoerenkotten.

Hij tooit  zich met bedroefde toorn jegens de wereld, welker smerige baan men eerst ook dan pas ontdekt, als men ouder dan twintig is, in het bijzonder als men het studentenleven vaarwel moet zeggen om te gaan preken in Schiedam.

Maar eerst, voordat de worgengel het levenseinde blaast, heb ik de Immortellen ingesproken op het wereldwilde web. Dat had nog niemand gedaan en dat is bijzonder vreemd. Natuurlijk zijn er mensen die het anders of beter willen en zij mogen in mijn poging hun uitnodiging vinden om zelf het opnameapparaat ter hand te nemen. Men klikke hier!: https://www.youtube.com/watch?v=A76dX3uARfU

Wie is die rode smiling lady?

The Golden Earring, When the lady smiles: of de non of de rode dame verkracht wordt, hangt af van het gevolgde vertelperspectief: het auctoriale of personale.

Twee lezers van mijn vorig postje (een dame en een heer, onafhankelijk van elkaar) over de clip bij “When the lady smiles” lazen scherp en schreven mij, dat ik ernaast zat en dat er wél degelijk een non in de metro verkracht wordt. Er is in de clip namelijk sprake van een gedaanteverandering! De eerste, de oorspronkelijke (misschien wel “de echte”?!) non verandert in een roodharige, terugzoenende non. Op grond van deze gedaantewisseling zou dús non nr. 1 verkracht zijn. Die interpretatie ligt voor de hand, maar ik denk nog steeds dat na visuele en textuele analyse van “When the Lady smiles” én na invulling van het juridische begrip verkrachting, i.e. binnendringen van het lichaam eens anderen tegen diens wil, de vraag blijft, óf er een non verkracht wordt.

Toen ik twee jaar terug zo vluchtig, ja toe- gegeven! slordig, schreef, “Wat ziet de kijker?”, ging ik uit van de personale vertel- instantie van de hoofdfiguur op dat moment: de kijker ziét de, althans “een”, non in rode bh terugzoenen.

Alleen, deze terugzoenende non bestaat alleen in het vertelperspectief van de obsessief verliefde, de man die later “behandeld” wordt. In diens personale vertelperspectief zoent non nr. 2 alias “De Rode Dame” heftig terug.

Máár, en dat had ik onder het vloerkleedje geschoven, de kijker kan uit het auctoriale perspectief afleiden, dat buiten het enge blikveld van de zoenende psychopaat non nr. 1. iets sociaal onfraais overkomt. Dat leidt de kijker af uit de reacties van de metro-reizigers: de zoener wordt weggetrokken en krijgt het kaartje van een psychiater.

Maar wát er nou precies “in het echt” buiten het psychopatenblikveld gebeurt, blijft verborgen, omdat de auctoriale vertellijn op dat moment afbreekt. Daarom is die clip ook zo goed! Je wordt gedwongen om méé te gaan in de weergave van de psychopaat: ik zoen met De Rode Dame! Maar is dat zo?

Als non nr. 2 alias De Rode Dame al “echt” bestaat, betekent het dan ook dat non nr. 1 tegen haar wil in is gezoend en daarmee “verkracht”? Dat is en blijft de vraag: van psychopaten valt doorgaans weinig objectiviteit in waarneming of weergave te verwachten.

Ik kan niet anders dan uitgaan van gekleurde belevenissen: ik weet niet wat er “echt” gebeurt met non nr. 1: misschien rukte de psychopaat alleen maar aan het habijt, trachtte hij haar te zoenen, gilde non nr. 1 en reageerde het publiek dáárop al verontwaardigd. Ik weet het niet: de muziekvideo vertelt daar niets over. Dit geldt mutatis mutandis voor de secretaresse: wij weten niet, wát er echt in de lift gebeurt. (Zag u trouwens Huub Stapel uit “De Lift” voorbijkomen?) Wij zien wel dat zij door elkaar geschud wordt, dát zou met enige zin voor juridische exegese te kwalificeren zijn voor aanranding; voor “verkrachting” volstaat het zeker niet. Is de secretaresse tegen haar wil in gezoend? Is de daad volvoerd? Ik weet het niet. Het blijft de vraag: de muziekvideo vertelt daar niets over.

Waarom wordt de psychopaat, de potloodventer-in-regenjas, veroordeeld tot dwangverpleging en niét tot de gevangenis? Dat is simpel: hij wil geen onwillige nonnen of secretaressen zoenen, hij wil “De Rode Dame” zoenen! Dat is een groot verschil met verkrachters: de opzet om de non of de secretaresse schade toe te brengen ontbreekt, sterker nóg, hij ziét alleen “De Rode Dame”, die hij wil zoenen. Zijn vermogen om te zien is letterlijk gestoord: hij ziet, wat hij wenst te zien.

De psychopaat is daarmee juridisch gezien niet-toerekeningsvatbaar; hij wordt tot dwangverpleging veroordeeld. Is daarmee ook de daad “aanranding” tenminste niet voltrokken? Ja, dat het lijkt zo te zijn, maar de kijker weet dat niet precies: hij hoort de rechterlijke uitspraak niet. En tussen grote haken, die rechters worden ook niet al te fris afgeschilderd! In elk geval, de patiënt wordt van alle rechtsvervolging ontslagen en overgeleverd aan een sjofele professor neurologie, typje blij-dat-ik-snij, die een fraai anatomisch theater bouwt.

Neem ik het hier op voor psychopatische potloodventers met een voorkeur voor madonna-gelijke Rode Dames? Neen. Ik wantrouw alleen hun weergave van de werkelijkheid en kan als kijker van het filmpje alleen afgaan op wat ik te horen en te zien krijg uit het auctoriale standpunt, wat nu eenmaal momenten oningevuld en daarmee vragen open laat.

De tekst van “When the Lady smiles” brengt ons niet heel veel verder met de verkrachtings- vraag. Wel is duidelijk dat de man tenminste in zijn eigen hoofd opgesloten zit: “When the walls no longer shout back at me.”

Is De Rode Dame een slachtoffer? Nou, in de tekst leidt zij ook: “When the lady smiles / She holds me in her hand / As a matter of fact, she could always let me down.“  Zij immers “is leading the way.”Alleen, en dit is het probleem, de tekst is louter geschreven uit het perspectief van de obsessief verliefde.

Als ik alleen luister naar de tekst, kan de hoofdfiguur wel een student zijn, die vol hoop en jenever tegen beter weten in thuiskomt, na een avondje met zijn rode dame. De tekst heeft het niet over nonnen of secretaressen; er is maar één geadoreerde. In de tekst sec komt de verliefde naar voren als iemand die wij allemaal wel eens tegenkomen: een hopeloos verliefde snoeshaan. En vrienden hadden hem (Is hij een hij? Ook dat blijkt niet uit de tekst) nog zo gezegd dat ze “a fallen angel” was.

Ach ja, het is erg. Jongens en mannen kunnen heel erg verliefd worden. Dat weet ik trouwens zeker, en dat buitentekstueel.

Over de kwestie zie men ook het Volkskrantartikel “Clinton graaft eigen graf”: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/article/detail/884074/2008/01/29/Clinton-graaft-eigen-graf-met-lied-Golden-Earring.dhtml

The Golden Earring’s Smiling Lady

Was u de rode bh ontgaan? When the lady smiles, geen verkrachting, Twitter versus e-mail, Hillary Clinton, NRC, Metro, schutblaadjes, eros versus thanatos.

Eind januari 2008 berichtten verschillende media, naar aanleiding van een onoplettend mailtje van NRC-journalist Jeroen van Bergeijk, dat Hillary Clinton in haar campagne het lied “When the Lady smiles” van de Golden Earring gebruikt had, klaarblijkelijk niet wetende dat “hierin een non verkracht wordt”, zo het NRC-bericht.

Zulk nieuws reist nu nooit meer per e-mail, electronische post, maar per tweet, “Twitter-bericht”; het is opmerkelijk hoe groot de slagkracht van een gerucht in een bepaald medium verandert, in drie jaar tijds.

 

 

 

 

 

 

 

Destijds heb ik met het volgende open briefje aan de opsteller van het berichtje, dhr. Van Bergeijk, betoogd dat de smiling lady niet verkracht wordt. Anno 2011 gaat het om de verbazing over de vluchtigheid van nieuwsgaring uit een bepaalde bron (hier: één e-mail); een verbazing die evenredig groeit met de hype-gevoeligheid van geachte journalistieke kanalen.

En ja, bijgevolg moet Hillary Clintons campagneleiding een groter artistiek invoelingsvermogen gehad hebben dan schutblaadjes als Dag of Metro, de papieren wegwerpkrantjes die toentertijd opgeld deden, maar dat wisten wij. Ik post dit bericht opnieuw, niet alleen vanwege bovenstaande observaties, niet alleen omdat mijn brief toen heel “kek” was, maar ook omdat “When the Lady smiles” een supernummer is en onaangestast blijft staan waarvoor het staat: aantrekkingskracht – Mag ik, zal ik?
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Geachte Heer van Bergeijk,

U schrijft op de voorkant van de NRC Handelsblad – site dat u verbaasd was dat uw mailtje over de Golden Earring-clip, “When the Lady smiles”, na 24 uur voorpaginanieuws was. Dat ben ik eens met u, temeer daar klaarblijkelijk andere bloggers en media klakkeloos overnemen dat de non in de prachtige clip van Dick Maas verkracht wordt. Dát blijft de vraag.

Wat ziet de kijker? Het nonnenhabijt wordt bruusk opengetrokken, een wellustige rode bh komt te voorschijn, de non en de belager zakken zoenend in katzwijm neer.

 Is dit een verkrachting? Even later wordt de belager in een rechtzaak beschuldigd én veroordeeld omdat de dames beschuldigend met de vinger wijzen, waarna de veroordeelde dankzij een lobotomie “genezen” wordt: de mannelijke lust wordt hem letterlijk uitgesneden en voor de honden geworpen.

Daarmee is het verhaal van dit lied en het bijbehorende filmpje een moderne variant van antieke Daphne-mythe: de boterverliefde Apollo jaagt de arme Daphne achterna, die door de kuren van Eros ongevoelig voor Apollo’s avances is gemaakt. –Maar zou ze anders ook zo ongevoelig zijn geweest?– Daphne verandert in een laurierboom zoals de roodharige, vurig zoenende dame uit de clip verandert in een kuis verzorgende verpleegster, die de ontmande, van vuige lusten bevrijde patiënt rondrijdt.

De mythe en het lied gaan over eros en thanatos, over geilheid en zedelijkheid: je weet immers nooit wat er ónder het habijt schuilt.

Was u, en velen met u, de rode bh ontgaan?

Met vriendelijke groet,
Emile van Brakel

———
LINK naar NRC-artikel:
http://vorige.nrc.nl/article1881066.ece

 

Letterenlust – hard en teder

recensie Hard en Teder, Thomas Blondeau, Jojanneke van den Berge, letterenlust, letterkunde, literatuur

Met veel genoegen heb ik voor 8weekly, het podium voor culturele recensies, Hard en Teder besproken:

Hard en Teder, samengesteld door Thomas Blondeau i.s.m. Jojanneke van den Berge, bundelt pareltjes die behagen, kundige kluchtigheden, schrijnende pijnlijkheden, en obsolete, ja zelfs obscure, fantasietjes. Hard en Teder is een veelkruidige verzameling. 

Een eroticum kan niet volstaan met louter geilige omschrijvingen van dé daad in al haar aspecten: een aaneenrijging van vieze woordjes boeit nauwelijks. Iedereen gaapt tegenwoordig – en dat terecht – bij de neuzelende pornoverhaaltjes van Jan Cremer, al staat op elke bladzijde wel ‘kut’ of ‘lul’. Een geslaagd eroticum moet literair meer bieden; het moet een prikkelend kleinood zijn.

Leest u verder op: http://www.8weekly.nl/artikel/9366/thomas-blondeau-hard-en-teder-letterenlust.html