Na beluistering van de Reve-tapes

Reve liet zich racistisch getinte uitspraken ontvallen tijdens een vraaggesprek met Büch in 1983 voor Het Parool.

In december 2016 schreef ik een artikel over de vraag of volksschrijver Reve nu racist was geweest. Door het openen van bandopnames uit de nalatenschap van Boudewijn Büch was de vraag weer opgevlamd. De NOS kopte dat Reve wél racistische uitspraken had gedaan tegenover Boudewijn Büch [1]. Reve had zichzelf wel eens fascist genoemd; was hij dan nu ook racist?

Inmiddels zijn in het radioprogramma Radio Doc van de VPRO / NTR de opnamen gedeeltelijk publiek gemaakt. In december 2016 besluit ik mijn betoog met de slotsom dat men niet zomaar afgaan moet op wat Reve zelf allemaal roeptoeterde of schreef, omdat hij een poseur was. Na beluistering van de opnamen denk ik dat deze slotsom nog steeds geldt en dat het verdedigbaar is dat Reve geen racist was, al deed hij in het gesprek met Büch wel racistisch getinte uitspraken, die vervreemdend, overtrokken, half ironisch of half gemeend, of gespeeld woedend zijn. Reve wil grappig zijn. Of de luisteraar hem geestig vindt, moet hijzelf beoordelen; een vastomlijnd racistisch wereldbeeld, een racistische ideologie komt niet naar voren uit de opnamen.

Als Büch hem naar de beweegredenen vraagt van het in 1975 voorgedragen, beroemde gedicht Voor Eigen Erf (Laatste regels: “O Nederland, ontwaak! / Gooi al dat zwarte tuig er uit: / Ons land voor ons! / Op, naar de Blanke Macht!”) antwoordt Reve: “Ik heb dus de beschuldiging aan mijn adres dat ik slecht ben en dit en dat en die en dié, en dié mensengroepen het slechte in de wereld gun. De mensen die dat zeggen, dat zijn de vervolgers, dát zijn de massamoordenaars! Kijk, ik heb zo’n stapel brieven liggen van zwarte jongens, die schrijven, ‘Mijnheer, zoudt u niet mijn blanke meester willen worden?’ Maar ik heb er de woonruimte, de middelen niet voor.”[2]

Zo’n uitlating kan zowel negatief als positief jegens “zwarte jongens” geduid worden, maar in elk geval neem ik aan dat er geen stapels brieven van donkergekleurde Surinamers in huize Reve lagen. Na deze half serieuze uitspraak duidt Reve op de problematiek van de immigratie die het gevolg was van de Surinaamse onafhankelijkheid.

Na publicatie van het Parool-artikel zijn velen verontwaardigd. Büch en Reve verschijnen nog wel op de televisie, maar spreken slechts tégen en niet met elkaar. Reve zelf zegt geen racist te zijn, want racisme vindt hij dom. – De luisteraar vorme zelf een eigen oordeel!

                        De Grote Gerard Reve Show. Auteur: Kippa. Bron: ANP Archief.

Hieronder volgt de tekst van het in 2016 voor De Fusie geschreven artikel: 

Reve racist?

Op donderdag 24 november kopt de NOS dat “Reve wél racistische uitspraken tegenover Boudewijn Büch deed”. Dát valt om te duiden: Reve heeft altijd een vervormd en vervormend beeld van de eigen persoon neergezet, in een deconstructief spel dat de ironie voorbij ging, omdat met dat spel Reves openbare persona tenslotte samenviel. Daarom is veel van wat Reve schijnbaar met de grootste stelligheid stelde, te begroeten met kritische blik, goedwillend wantrouwen of een berg zout, wat trouwens ook geldt voor Büch.

Op 17 september 1977 schrijft Gerard Reve in een persoonlijke brief aan zijn uitgever Geert van Oorschot dat zijn werk al enige jaren niet meer autobiografisch is. Dat is te zwak uitgedrukt: Reve vond zichzelf dikwijls en graag opnieuw uit, en liet het niet na om vreemde, zo niet vervreemdende, uitspraken te doen. Hij schrijft op 17 juli 1971 in de brieven aan Simon C., verschenen in De Taal der liefde:

“Ik wil boeken gaan schrijven waarin ik de zijde van beide partijen kies, teneinde mijn debiet te verhogen. […] ik zou hetzelfde verhaal bijvoorbeeld in twee versies kunnen uitgeven. De ene versie een ‘progressief-katholieke roman op marxisities-leninistiese grondslag’ […] Daarnaast een versie waarin de ‘werkers’ aan de macht zijn …”

Reve speelt hier met de gedachte om eendere verhaallijnen door verschillende ideologische brillen te schrijven, tot vergroting der verwarring, ter “dekonstruksie”, van ideologieën en zichzelf, en dát, de spot ten top: wegens het banksaldo. De schrijver vindt zichzelf in de openbaarheid van het letterentoneel opnieuw uit.

Reve vervolgt in dezelfde brief: “Ik kan ook beschrijven hoe prachtige blanke, blonde germaanse [sic], rooms-katholieke aanbiddelijk mooie marechaussees allerlei werkschuwe zwarte rijksgenoten die voortdurend onze roomblanke dochters pogen de dure kleren van haar duizelingwekkend schone meisjeslichamen te scheuren, op hun beurt ontbloten en bij het verhoor slaan, mishandelen, ranselen, geselen, folteren en martelen. Zoek maar op in de encyclopaedie.”

Reve poneert de schrijver Reve voortdurend opnieuw

Reve beseft de werking van zijn woorden in het publieke (dit is een openbare brief aan Simon Carmiggelt) en deinst niet terug. Stelt hij werkelijk dat hij een tekst gaat schrijven over marechaussees die werkschuwe, zwarte rijksgenoten afranselen? Nee, hij speelt met het idee dát de volksschrijver Reve dat zou kunnen doen. Hij koketteert. Hij poseert. – “Werkelijk”.

De aanname dat wat de schrijver Reve opschrijft, overeenkomt met diens weloverwogen private persoon – zo deze sec bestaat – is te eenvoudig. Hier praalt snaaks-venijnig ideeënspel. Reve poneert de schrijver Reve voortdurend opnieuw, vlak voor en omwille van het publiek. Reves leven wás een schouwtoneel. Edwin Praat schrijft in het zesde hoofdstuk van zijn proefschrift dat Reves autofictie zich niet beperkt tot zijn boeken, “maar dat hij zijn gehele publieke manifestatie ermee doordrenkt.” Terecht concludeert Praat: “Wie in de publieke ruimte de werkelijke, ‘concrete’ auteur hoopt of zelfs eist aan te treffen, komt in het geval van Reve dus bedrogen uit.”

Bij de weging van uitspraken is niet alleen de context van het medium, het beoogde publiek, maar ook de vorm en de aard van de verklaring van belang: in een privé-bericht uit Reve zich anders dan in openbare (literaire) teksten of optredens, die een groter bereik hebben. Een veelgemaakte fout is het gelijkstellen van een auctoriaal commentaar in een fictietekst aan private opvattingen, maar bij Reve gaat het verder. Is het schijnbaar een feitelijke omschrijving, een verzuchting of een verwoording van ergernis? Wat beoogt zij? Wat is de intonatie? De oplossing van Mulisch’ uitvinding “het ironische der ironie” schiet daarin soms te kort. Mulisch schrijft: “Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben.” Maar ironie is bij Reve vaak geen zuivere omdraaiing, het is eerder dat Reve zelf zijn imago schept, herschept en, tenslotte vervreemdt.

Op 7 juni 1968 verzucht Reve in een brief aan Van Oorschot: “Over mijn plannen het volgende: ik zal wat meer in Amsterdam zijn dan vroeger, omdat de woning aldaar zo stil & lieflijk is gelegen. (Maar houd mijn aanwezigheid geheim.) […] Ik ben vol goede moed. Nu ik, na katholiek, ook nog fascist ben geworden, wordt het ongelooflijk stil om me heen. Weet je, dat er soms een hele dag niet één maal wordt opgebeld? Ik denk, dat ik deze isolatie zelf heb willen forceren. Ik ben zeer pessimisties over de wereld, maar niet over mijn werk.” Verklaart Reve zich in deze brief in alle ernst tot fascist?

Ga nooit zomaar mee in de De Grote Gerard Reve Show

Voordat de lezer van het in 1983 gepubliceerde vraaggesprek tussen Büch en Reve kraait dat Reve het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime ondersteunde, zou hij de geluidsopnamen moeten beluisteren, die nu semi-openbaar zijn. Deze zou hij moeten beluisteren in de contexten van het literaire discours en de politiek-maatschappelijke debatten van toen en nu. Daarna zou hij het gehoorde moeten vergelijken met het door Büch in ’83 opgetekende, met inachtneming van de naderhand aangedragen nuanceringen van Reve, waarbij hij ervoor waken moet om niet zomaar een invulling te geven op het raadsel dat vervreemding heet.

Ga nooit zomaar mee in de De Grote Gerard Reve Show. Hij meent het waarschijnlijk net anders; wie is “hij” trouwens? Ga zeker nooit zomaar mee in de weergave van Boudewijn Büch: Reve poseert, Büch fabuleert. UvA, zet die gesprekken op internet, want transscripties geven nooit exact de intentie van het gezegde weer, en zeker niet in het geval van een beroepsdeconstructivist.

Ondertussen lacht bij al deze oplaaiende belangstelling de zelfuitgeroepen volksschrijver Reve, multo vino bibito ascendit in coelum nix aan de handa, zich van kraaiend genot een kriek in de knuistjes. – Hij had tenslotte een winkeltje.

Internetbronnen (laatste oproep 7 mei 2020):

Emile van Brakel, “Reve racist?” op De Fusie (2 december 2016):
http://defusie.net/reve-racist/

Radioprogramma “Radio Doc”, VPRO / NTR, Radio 1 (4 februari 2017), aflevering “Schrijft u dat maar gerust in uw krant” (documentairemaker Tom Rooduijn):
https://www.vpro.nl/speel~RBX_NTR_6228966~schrijft-u-dat-maar-gerust-in-uw-krant-radio-doc~.html

Televisieprogramma “Andere tijden”, aflevering “Het raadsel van Reve”:
https://anderetijden.nl/aflevering/484/Het-raadsel-van-Reve

Tekst gedicht “Voor eigen erf” van Reve op DBNL (Propia Cures 1974):
https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201101_01/_voo013201101_01_0037.php

Vrij Nederland, “De ironie van Gerard Reve”, auteur Jeroen Vullings (8 april 2016):
https://www.vn.nl/gerard-reve-ironie/

NOS-televisie, “De Grote Gerard Reve Show”, producent Rob Touber (1974) via Youtube:
https://www.youtube.com/watch?v=wxBkps7hjR8

Nieuwsbericht NOS, “Reve deed wél racistische uitspraken tegenover Boudewijn Büch” (24 november 2016):
https://nos.nl/artikel/2144754-reve-deed-wel-racistische-uitspraken-tegenover-boudewijn-buch.html

– Parool “Op een rijtje: omstreden uitspraken uit Reve-tapes” (23 november 2016):
https://www.parool.nl/nieuws/op-een-rijtje-omstreden-uitspraken-uit-reve-tapes~be63d5e4


[1] Het krantenartikel van Boudewijn Büch verscheen op 15 januari 1983 in de zaterdagbijlage van Het Parool, maar is op dit moment slechts op papier te bekijken. Het zou goed zijn om de gespreksopnamen met de weergaven in tekst te vergelijken.

[2] In de opname op 15:40 minuten.

Welk dier eet de mens?

Sommige dieren worden op grond van hun uiterlijk of leefwijze juist wel of juist niet gegeten. Hygiëne en moraal voeden elkaar.

Waarom slacht en eet de mens het ene en het andere dier niet? Waarom zouden wij wel een fazant eten, maar een pauw of een zwaan niet (meer)? Waarom is het rund in de ene cultuur heilig en wordt het opgepeuzeld in de andere? Schuilt er niet een zekere schijnheiligheid of domheid in de gewoonte om een bepaald dier op grond van zijn gewaardeerd uiterlijk, schoonheid, kortom positieve culturele betekenis niét te eten en het andere, dat deze eigenschappen ontbeert, wel? Is het bezitten of oproepen van emotionele kracht of culturele waarde een eigenschap op grond waarvan een dier geen voedsel mag zijn of juist wel? Blijft het buiten de keuken of moet het de pan in?

Stel, er is een heilig boek, een religieuze wet of culturele gewoonte, die zegt dat fazanten engelen zijn die niet gegeten moeten worden en men eet ze niet, dan is dat niet hypocriet, maar consequent binnen die context. Misschien raar buiten die context, maar evenwel consequent. Er bestaan culturen waarin culinair animisme opgeld doet: het eten van een bepaald (onderdeel van) een dier laat de veronderstelde kracht van (dat onderdeel van) dat dier overgaan naar de eter. Denk aan het eten van levende kikkervisjes, de veronderstelde potentie verhogende werking van neushoornhoorn of stierenballen, enz. Dat is wellicht bizar buiten die culturele context, het blijft evenwel consequent gedacht voor de animistisch belijdende. Of het ook objectief gezien gezond, hygiënisch, diervriendelijk of duurzaam is, zijn andere vragen.

Van schapendarmen worden ook vioolsnaren voor de traditionele uitvoeringspraktijk gemaakt.

Het wordt tasten in het duister als er helemaal geen enkel duidelijk zedelijk ge- of verbod (meer) is om de eetbaarheid van bepaalde dieren te bepalen, zoals bij “ons” als het gaat om zwanen. Is een gans minder dan een zwaan? Is een zwaan minder geschikt voor de pan dan een fazant? Nee, het is puur gebruik geworden om geen zwaan meer te eten. Maar niet lang geleden werden zwanen op hoogtijdagen wel degelijk gegeten. Vluchtig onderzoek op internet laat mij zien dat het nog steeds wel wettelijk toegestaan is om een zwaan te schieten, maar dat het een enorm “gedoe” is, en het beleid per provincie (obscuur!) verschilt. Ik geloof niet dat er een zwanenvleesboerderij bestaat en ik heb ook nog nooit zwaan in de supermarkt gezien. Maar is de zwaan minder geschikt voor de pan dan de fazant? Fazant schijnt lekkerder te zijn, maar dat is geen argument tégen de toelaatbaarheid van het zwaan eten. 

“Wij” eten geen huisdieren. Ook daarvoor geldt min of meer hetzelfde: is een tonijn geschikter om te eten dan een hond? Er is één heel zuiver argument: met de eigen huishond heeft men een band, met de willekeurig in het net gezwommen tonijn niet. Nee, je gaat natuurlijk niét je eigen huisgenoten op vier poten opeten. Dat is niet hypocriet, dat is meer dan begrijpelijk en binnen de context van het eigen erf en bijbehorende have consequent. Maar, dat is evenwel geen argument om viervoeters tot verboden voedsel te benoemen. Paard en rund eten we wel; zijn die dieren soms minder waard dan een hond of kat? Nee.

En dan! Een insect, bijvoorbeeld een meelworm of een sprinkhaan, is te klein om een band mee op te bouwen en uitermate geschikt om te kweken. Handig! Een moreel probleem minder. Zijn insecten “stom”, hebben ze geen enkele geesteskracht? Hoe rijk is het geestelijke leven van het lieveheersbeestje? Insecten lijken vooral als kleine machientjes te handelen en reageren, maar dat doen ze buitengewoon kundig. De spin wil wegrennen voor de stofdoek, de vlieg vliegt net weg, voordat ze doodgemept wordt. Insecten zijn in elk geval bijzonder genoeg om bewonderd te worden en zijn ronduit noodzakelijk voor het bestaan van de mens. Maar, dat is evenwel geen argument om insecten wel of niet te eten. Bij het doden van insecten is er in elk geval een moreel probleem minder: ze zijn werkelijk in een klap dood en hebben geen centraal zenuwstelsel.

De bacteriën laat ik buiten beschouwing: biologisch gezien zijn er argumenten om ze wel en niet als dier te laten gelden, bovendien maakt ieders spijsvertering gebruik van die levensvorm. Medelijden met de dood van een bacterie heb ik nog nooit vernomen, noch van een geestelijke, noch van een voedselkundige. Of roept u bij het koken: “O, daar gaan die arme bacteriën! Welk een slachting!” En toch doodt u ze, zij het op microniveau.

Wat ik hier heimelijk als wegingsfactor voor of tegen het eten van een bepaalde diersoort heb ingebracht, maar waarmee u waarschijnlijk zomaar in mee bent gegaan: het veronderstelde intelligentieniveau van een dier. Een bepaald dier heeft een bepaalde mate van intelligentie, zo wil ik aannemen; er zijn niet zo slimme dieren (luizen) en bijzonder intelligente (orka’s, apen, enz.). Dat ik dat aanneem, mag vanzelfsprekend klinken, dat is het allerminst. Tot voor kort waren dieren, alle dieren, in het Nederlands burgerlijk recht een zaak, een ding met economische waarde. Impliciet werd daarmee verondersteld dat dieren elke geesteskracht ontberen, terwijl we van onze hond, kat, ons paard of rund in het dagelijkse leven beter weten.

En nu wat scherper, letterlijk, om de innerlijke waarde van een dier recht te doen: aan de slacht! Eerder heb ik eens ten onrechte in de vluchtigheid hygiënemaatregelen van zedelijkheidsgeboden willen scheiden, maar dat is een denkfout: moraal en hygiëne zijn streng met elkaar verbonden en “voeden” elkaar, wat ik natuurlijk had kunnen weten van, bijvoorbeeld, de gebruiken in de Joodse keuken. Huidige als streng ervaren keukengeboden – Gij zult vlees van melk scheiden, gij zult geen varken eten, gij zult … – hebben dikwijls een alledaagse achtergrond. E-coli is geen product van Conimex.

Zindelijkheid en properheid zijn ten enenmale onderdeel van moraal en cultuur, waarin het “algemeen kennisniveau” besloten ligt. Dat betekent dat de omgang met dieren, het telen, vervrachten, voederen, slachten en verwerken van dieren meedeint met het algemene kennisniveau. In de zichzelf beschaafd achtende, geïndustrialiseerde wereld moet elke vorm van achterlijke, onhygiënische, niet-duurzame, laat staan animistische dierverwerking bestreden worden. Een mens krijgt geen stierenpotentie van neushoornhoorn, verkrijgt geen betere huid van schubdieren, doet er wijs aan geen ratten als “waterkonijn” te eten, en hij weet dat internationale massaveeteelt en vervrachting gevaren met zich meebrengt voor het dier, én zichzelf.

Het schubdier wordt in de Aziatische (medicijnen-)keuken gebruikt. Eigen tekening; potlood en waterverf.

De Lichtfabrieken

Hieronder volgt een pastiche, een na-aapstukje-in-de-stijl-van. In dit geval: de stijl van Bordewijk. Laat u zich daarom niet in de luren leggen: ik ben niét 120, tot mijn alledaags woordgebruik behoort niét “het schiftende schuim van de syfilis”, “de aamborstige arbeider” of “de ter kimme blazende staketsels der Lichtfabrieken”. Dát alles zou Bordewijk geschreven kúnnen hebben, of niet? – U het oordeel! – De eigennamen in onderstaand verhaal zijn op Bordewijkiaanse wijze verbasterd.


De Lichtfabrieken

Het was voor Servaes geenszins kinderspel zijn weg naar arbeid te vinden. Tot zijn een en twintigste had hij te hooi en te gras baantjes, maar het schoot niet op. Crisis dreigde hem te breken. Doch oprechte zelfachting belette hem om zich in te schrijven voor enig Rijkswerkverschaffingsproject op de hei. Daarnevens verheugde hij zich in jeugdige opstandigheid. Breken zal ik nooit, besloot hij. Aldus vocht hij zich langs grauwende paupergrachten een weg naar het administratiekantoor der Stedelijke Fabrieken van Gas en Elektriciteit in de hoop op werk in zijn geboortestad Leiden. Het was iets naïef eerlijks en onvermurwbaar rassigs in hem. Met de zuiver witte voortanden half ontbloot als uiting van tactiek of instinct werkte hij zich door kwalijk riekende grachtenbuurtjes en aanslibbende bebouwing. Vuilnis en etensresten vulden het water. Walging nam hem beet.

            Arbeidersvrouwen zwenkten op deze ochtend de brede heupen in het kurkentrekkend stegengebied tussen Haarlemmerstraat en Oude Vest, onder de werkjurken te veel kinderen. Naambordjes met Delamisère, Bootinbad, Godheyn, Parrdon, Kartee, Steltloper, Kraaiemaar, Mietemat, Bierot. Fieltige lieden in de Bouwelouwensteeg, aangetast door drank en inteelt, waren tegen krothuisjes neergestreken en verwerden allengs tot de schuimende syfilis zelf. Zij stonden hem in de weg en staarden hem na. De jongeman in jas en hoed groette minzaam, maar groette. Zo ruim was hij, al kon hij hun indolentie niet goed lijden die hem voortkwam als gesmoord esprit. Ledigheid ademden zij, weerzin verheelde hij. Hij vermat zich tegen de armoe te handelen, zich te weer te stellen. Dat moest geweten. Trots schiep plicht en vond hopelijk nawerking bij het proletariaat. Servaes streefde meer professie na dan de huidige werkelijkheid hem wilde bieden.

            Hij liep het fabrieksterrein op. Het brute van deze omgeving overviel Servaes in zijn overgevoeligheid, de machinetempels waren meedogenloos. Elektriciteit bespoedigt het leven der huisvrouw en de dood des arbeiders, dacht Servaes apodictisch en overwoog dat ook huisvrouwen arbeidenden in het collectief waren. De gedachte vervloog.

            Op het Papegaaisbolwerk strekten de uitbreidingen van de Gemeentelijke Lichtfabrieken zich uit over waar eeuwen lang armlastigen en Joden begraven waren. Nu vraten de fabrieken cokes en braakten gas en stroom, gehoor gevend aan de roep om licht, warmte, snelheid. Voor hem ontvouwde het industriële labyrint zich als een opgedirkte poen, gekleed in bijeengeraapte kledingstukken uit verschillende modes. De eerste gebouwen, gebouwd rond de eeuwwisseling, plachten zich te tooien met Hollandse speklagen, de latere betonnen gebouwen hadden zich zakelijk ontdaan van elke architectonische genoeglijkheid.

            Het nieuwste en grootste turbinehuis voor Leiden en Omstreken voedde en ontlastte zich middels zij-inlaten waar kranen op rails in- en uitgingen, de kolenwerkers rationaliserend tot lichtvoeders. Het gebouw beroet, massief, sacrosanct, een tempel voor Elektriciteit die het ganse etmaal gevoed moest. In zijn strakke belijning niet onelegant, maar vooral cyclopisch en lapidair. De traveeën met gevelramen reikten hemelwaarts. Terreinlocomotieven en grijpkranen voorzagen het zwetende gedarmte van cokes, bovenin gierde de turbine, geschoord door stalen binten, het hoogaltaar van het godshuis. Naar pek rook het beneden, naar ozon boven, vonken regenden naar de verdeelstations. Men diende de haveluinige godheid met onbetaald overwerk en geregeld ongeval. De hoge bakstenen schoorstenen roetten gelijk fier ter kimme blazende staketsels der Moderniteit het zwerk en verpletten de aamborstige arbeider. Hier begint de Nieuwe Tijd, in walsende vaart.

            Daar, op een open plek tussen de cokesbergen bleef hij staan en zag op naar de zwaar gezwarte trap van het administratiekantoor.


De beelden zijn stills uit de bedrijfsfilm van de Stedelijke Fabriek voor Gas en Electriciteit te Leiden, gedateerd 31 december 1931. Zij zijn online gezet door het archief van: Beeld en Geluid. Ik heb toestemming gekregen om deze beelden te citeren.

Bronnen:
https://www.beeldengeluid.nl/
http://in.beeldengeluid.nl/collectie/details/expressie/88882/false/true



Computers kunnen niet vertalen

Automatische vertalingen zijn slecht, omdat kunstmatige intelligentie de binnen- en buitentekstuele context niet begrijpt.

Computers kunnen zonder menselijke correctie wel wat vertalen, maar niet veel en niet goed. Welbeschouwd leveren automatische vertaalprogramma’s ontstellend slecht werk af, omdat contextduiding niet lukt. Dit terwijl veel mensen tegenwoordig maar aannemen dat computers alles kunnen, en zeker ook vertalen, want vertalen, zo nemen zij aan, is toch iets simpels. Het is het overzetten van de ene naar de andere taal, toch? Als het zó gemakkelijk was…

NRC schreef onlangs: “En iedereen gebruikt Google Translate, dat elke website, e-mail of appconversatie razendsnel en foutloos in honderden talen vertaalt. Niet alleen in het Frans, Duits of Engels, ook in het Tataars en Sorbisch.” – Daar klopt niets van, zo blijkt in de praktijk. Een voorbeeld!

Godfried Bomans’ beroemde kinderboek Erik of het klein insectenboek begint zo: “Het eerste wat de kleine Erik deed in het land Wollewei was – huilen. Ja, dat is nu wel een beetje vervelend om te vertellen; maar deden wij soms anders toen wij voor het eerst gezet werden in het schilderij waarin we nu al zoo lang leven?”

Voor het goede doel ga ik nu iets heel, heel, heeel ergs doen en dat is: Bomans door een computer halen. Hopelijk zou Bomans het mij vergeven hebben. – Een vertaalmachine en literatuur; een vloek! – De bekendste vertaalmachine Google Translate maakt van Bomans opening anno 2018: “Das erste, was der kleine Erik auf dem Land tat, das Wollewei tat, war – zu weinen. Ja, das ist etwas nervig. Aber haben wir uns manchmal verändert, als wir zum ersten Mal in das Bild eingefügt wurden, in dem wir so lange leben?“

Het eerste wat opvalt, is dat Erik ineens iets óp het land doet, en niet in een nieuw, onbekend land belandt. Maar Erik gaat bij Bomans niet boeren, hij is in Wollewei op ontdekkingstocht! Nou, ach, foutje, kun je denken… We lezen verwachtingsvol verder!

Het tweede wat opvalt, is dat de logaritmen niet vatten dat “Wollewei” een naam van een verzonnen land is. Dat valt tegen: Wollewei wordt met het woordje “land” aangekondigd en krijgt een hoofdletter, want het is een eigennaam. Je zou verwachten dat een onlinevertaalmachine met tig voorbeelden in het wereldwijde web zulke duidelijke aanwijzingen toch inmiddels zou “vatten”. – Blijkbaar niet. – Blijkbaar zijn verzonnen landen maar lastig voor de translator, “nervig” zo u wilt, wat overigens totaal niét strookt met Bomans “een beetje vervelend”.

Een derde, inhoudelijk grote afwijking – vlijt u het moede hoofd alvast maar neer – in de Duitse nepvertaling betreft: “haben wir uns manchmal verändert” (hebben wij ons soms veranderd). Bomans auctoriale stem verwoordt echter de vraag of “wij het soms anders deden”, op het moment dat wij voor het eerst gezet werden in dit leven.

Soms is hier niet een tijdsbepaling, in de zin van “zo nu en dan”, maar zet de twijfel aan. Je zou het kunnen vervangen door “wellicht” of “misschien”. In dit geval komt Erik in een nieuw land, wat een allegorie is voor op aarde komen, geboren worden. Dat vat de vertaalmachine allemaal niet, omdat logaritmen blijkbaar nog niets werkelijk begrijpen van de context, zo blijkt overduidelijk.

Een a contrario-voorbeeld: het totaal contextloze, maar toch heel eenvoudige, niet-meerduidige zinnetje “Pim maakt het vuur uit” wordt bij Google kortweg: “Pim maakt het vuur”. – Welterusten Pim! Dááág Google!

Onlangs werd den volke de pratende robot Sophia nr. 6 gepresenteerd, die leek te reageren op vragen, maar na een tijdje kwam de aap uit de mouw: de gesprekjes waren vooraf ingestudeerd; mensen hadden de vertaalmachine (want dat is deze met siliconen versierde Sophia) gewezen op de juiste context, hadden de vragen vooraf gestuurd in de juiste richting. Sophia nr. 6 blijkt daarmee met terugwerkende kracht toch vooral een publiciteitsstunt te zijn geweest. – Vermakelijk, voor een tijdje, maar niet meer.

Misschien voor hen die nog niet overtuigd zijn: kijk naar dit filmpje. Hierin probeert de werkelijk intelligente komiek Will Smith met de neppraatrobot een levendig tweegesprek te voeren, wat geheel mislukt, omdat de nepmevrouw niet van witte wijn houdt, lang zoekt naar antwoorden  – de kompjoeter is immers in de internetwolk naar duidingen en een antwoord aan het zoeken –  terwijl het siliconen nekje trekt en rekt. Buitengemeen onaantrekkelijk! Spraakrobot Sophia nr. 6 weifelt, de logaritmen kraken en melden uiteindelijk een non-seksueel compromis: “Ik neem je op in mijn vriendenboek.” Smith tuit de lipjes en kust de lucht.

Zolang een verzameling logaritmen met internettoegang, een online vertaalmachine zogezegd, niet vat wat context is, wat binnen die context relevant is en bijgevolg woorden ronduit verkeerd vertaalt, grapjes, laat staan ironie, niet begrijpt, niet begrijpt dat Wollewei een land is, niet van wijn of zoenen houdt, zó lang zal er werk zijn voor menselijke vertalers en schrijvers. Ik neem aan dat dát, gelet op de bedroevende resultaten van Google, nog heel lang het geval zal zijn, omdat intelligentie ook creativiteit veronderstelt. – Die derft Google Translate of Sophia nr. 6 ten enenmale.

Bronnen:
NRC, 28 september 2018: Wat als we elkaar allemaal kunnen verstaan?
https://www.nrc.nl/nieuws/2018/09/28/wat-als-iedereen-elkaar-kan-verstaan-a1863971
YouTube: Will Smith Tries Online Dating
https://www.youtube.com/watch?v=Ml9v3wHLuWI

Vervolg Erdogans geiten

Böhmermanns hekeldicht blijft voorlopig in delen verboden, maar kan weer toegestaan worden, zodra het grondwettelijk getoetst wordt in hoogste instantie.

ANP/Nu.nl bericht dat delen van Böhmermanns hekeldicht verboden blijven. Scherper zou echter zou het zijn om te berichten dat sommige gedeelten, die betrekking hebben op het intieme en seksuele vlak waarvoor geen feitelijke onderbouwing bestaat (fellatio met schapen, seks met geiten, kinderporno, enz.) voorlopig, zolang er geen beroep aangetekend is bij de hoogste rechter, in casu het Bundesgerichtshof, niet publiekelijk herhaald mogen worden, zo blijkt uit de persmededeling van het Hanseatische Oberlandesgericht.

Bovendien staat een laatste gang naar de hoogste grondwettelijk toetsende rechter, het Bundesverfassungsgericht, eveneens nog open. Böhmermanns advocaat Schertz (Sic!: “Scherz” betekent scherts, grap) kondigde dan ook aan verder te procederen, omdat naar zijn mening de vrijheid der kunsten in het geding is.

Het is volgens advocaat Schertz niet juist om het gedicht in delen op te splitsen, omdat al die delen één geheel, één hekeldicht, binnen één uitzending zouden vormen. Aldus zou het niet juist zijn alle passages die een feitelijke onderbouwing missen, niét onder de uitzondering der kunsten te laten vallen.

Daarvoor is zeker wat te zeggen: talloze kunstuitingen zijn ontsproten aan de fantasie; zij missen naar hun aard een feitelijke, dat wil zeggen een door empirisch bewijs gesteunde onderbouwing. Sterker nog, zij maken helemaal geen aanspraak op enige journalistiek of natuurkundig gerapporteerde werkelijkheid; denkt u aan satire of ironie.

Böhringer Friedrich – Own work, CC BY-SA 2.5, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4837515

Bovendien – de makers van het televisieprogramma wisten wat zij deden – is de context van Böhmermanns televisie-uitzending niet willekeurig gekozen. Böhmermann doet expliciet een beroep op de Freiheit der Kunst, de exceptio artis, de in Duitsland gecodificeerde grotere vrijheid der kunsten: hij kondigt aan, voordat hij het gedicht voordraagt, dat hij ter plaatse onderzoekt hoe ver de vrijheid van meningsuiting voor de kunsten reikt – en bekritiseert bovendien zichzelf, zij het op satirische wijze. Of zulk een aankondiging stand kan houden als beroep op de exceptio artis in de ogen van het Bundesgerichtshof zal blijken.

Als mij een gok toegestaan is: ja, die context en die aankondiging is voldoende sterk voor zulk een beroep, zelfs ook dan als het gaat om mogelijke gekwetstheid van de persoon Erdogan: hoge bomen vangen veel wind en moeten tegen een stootje kunnen, of dit nu een fantasiewind is of niet. Overigens, er is internet! What happens on the Internet stays on the Internet. – Erdogans geiten zullen nooit meer rustig grazen.


Het bericht van ANP/Nu.nl:
Gedicht over Erdogan van Duitse komiek blijft deels verboden
Gepubliceerd: 15 mei 2018 17:37
https://www.nu.nl/buitenland/5266955/gedicht-erdogan-van-duitse-komiek-blijft-deels-verboden.html#coral_talk_wrapper
Frankfurter Rundschau:
http://www.fr.de/panorama/boehmermann-gegen-erdogan-boehmermanns-schmaehkritik-bleibt-verboten-a-1506144Persmededeling van het Hanseatische Landesgericht:
http://justiz.hamburg.de/pressemitteilungen/11038250/prssemitteilung-2018-05-15-olg-01/

Dehmels godsnacht

Richard Dehmels dichtbundel “Weib und Welt” verbond seks met godsdienst. Het gedicht “Verklärte Nacht” is geen lofzang op een burgerlijke huwelijksmoraal maar op goddelijke zinnelijkheid.

De bundel Weib und Welt. Gedichte und Märchen (Vrouw en wereld. Gedichten en sprookjes) van Richard Dehmel verscheen in 1896, in de belle époque, het fraaie tijdperk zogezegd. Hij biedt dan ook verfrissend veel fraais, zelfs zó veel fraais dat ook nog tegenwoordig sommigen er schande van zouden spreken.

Richard Dehmel (bron: Wikipedia Commons)

Wat denkt de huidige lezer van het begingedicht Der tote Hund? Het gedicht dient zich aan als een apocrief evangelieverhaal over een dode hond, welks stinkende kadaver door Jezus opgeraapt wordt. De Heiland die dode diertjes van de weg opraapt? Wat denkt de lezer van Das Kind waarin een peuter opgeroepen wordt om zijn speelgoed kapot te maken, waarbij zelfs God in de lach zou schieten?

Wat doet de lezer met het door Dehmel opgeroepen, zeer ongebruikelijke vrouwbeeld? Vampieressen, zondaressen, nymfomanen en normenschendende kindvrouwtjes! Vrouwen, voor wier verschijning een verstandig man zou wegduiken, ware het niet dat hij ze begeert. Het gedicht – een willekeurige keuze – Mannesbangen (Mannenvrees) spreekt over de minnares in wier lendenen de man wel kan liggen, maar zodra zij haar klauwen door zijn haar strijkt, zo waarschuwt het gedicht, dan… Afijn, de lezer weet, die man is voer voor de kat.

Op erotiek drijft de bundel, in een eigentijdse gothicstijl: nu eens zwaar zwelgend, dan weer licht lillend. In bijvoorbeeld Ins Weite spreekt Dehmel van “manna van de grenzeloze nacht” en “het kwellend verlangen van wei, woud en wolkendek”. Dehmel bezingt tamelijk onverholen en ontegenzeggelijk subliem de vrouwelijke schaamstreek, het opperwezen alsmede de duivel.

Vanwege dit duistere, maar toch directe benoemen van god en seks oordeelde het Pruisische Landsgerecht in 1897 dat het gedicht Venus Consolatrix (Troosteres Venus) godslasterlijk en onzedelijk was, en bijgevolg gedeeltelijk gezwart moest worden. In dit gedicht biedt Maria Magdalena haar ontblote geslachtsdeel aan als rustplaats, hét vlees dat Christus zelf begeerd zou hebben, aldus het gedicht. Kijk, zoiets doet nu ook nog bij sommigen de wenkbrauwen rijzen. Overigens, wellustig is Dehmel in deze bundel veelal, vunzig of plat nooit.

Gekuiste concerten
Dankzij Arnold Schönbergs strijksextet uit 1899 is het gedicht Verklärte Nacht uit deze bundel niet de vergetelheid ten prooi gevallen, zoals bovenstaande gedichten wel. Tot aan het einde van de twintigste eeuw werden in de programmaboekjes van concerten gekuiste versies van het gedicht afgedrukt, zodat niet duidelijk was dat het gedicht naast de opbloeiende liefde ook de vleselijkheid en de godsdienst bezingt, waarbij haast en passant een buitenechtelijk kind geëcht wordt.

Door deze zelfcensuur werd Dehmels gedicht zélf mooier gemaakt, verklärt, wat wel de rust tijdens concerten, maar niet de inhoud ten goede kwam. Het gedicht is zo, op wens en ten behoeve van burgeroortjes “mooi en stralend verklaard en verlicht”, want het benoemen van vleselijkheid en godsdienst in een zin zorgt maar voor ongemak.

Zo werd bijvoorbeeld het woord “Lebensfrucht” vervangen door het zakelijke “Lebensinhalt”, waarmee elke gedachte aan Maria, de moeder Gods, met een pennenstreek weggeveegd werd. – Christus heet immers de gezegende vrucht uit Maria’s schoot, benedictus fructus ventris.

Dehmels soms bewust archaïsche woordkeus ondersteunt ongewild de neiging van de huidige lezer om de inhoud mooier op te vatten, onschuldiger te maken dan hij is. De onvoorbereide lezer leest op het eerste gezicht fraaie, oude, dichterlijke woorden; de daarin besloten sterke toespelingen op  godsdienstoefening in samenhang met vleselijkheid ontgaan hem.

Dehmels quasi-religieus, mystiek of plechtstatig taalgebruik is bewust ingezet. Het is niet zomaar “mooi”, het is functioneel. Een duidelijk voorbeeld staat meteen in het begin: “Hain” is dichterlijk en plechtig voor heilige bosjes, voor “hagen”. Denk in het verband der Lage Landen aan hagenpreken. Enige heidense mystiek (of sprookjesachtige Olivier Bommel-sfeer!) schuilt in de maan die zich over “hohe Eichen” en “schwarze Zacken” (onderscheidenlijk: hoge eiken en zwarte boomkruinen) heen spoedt.

Franz von Stuck, 1893: De zonde.
(bron: Wikipedia Commons)

Flirtende bekentenissen
De bekentenis van de vrouw (of is het een bakvis?) volgt in potsierlijk Bijbelse woorden, in deels geveinsde ootmoed. Zo klinkt bijvoorbeeld het ongebruikelijke werkwoord “sich erfrechen” in dit verband uiterst koddig, wegens zijn statenbijbels karakter. Letterlijk staat er “zich ver-ruwen” of “zich ver-botten”; het wil de vermetelheid vatten om iets ongepasts te verrichten. Dat is ook waarom “zich verstouten”, mede dankzij de wederkerigheid, goed past. De vrouw moet wel in grote vreze zijn! Der maatschappij toorn en hoon zal op mij zijn! O, help mij toch! – Deze biecht lonkt, met en in haar onzedelijkheid.

De man lijkt in eerste lezing louter opofferingsgezind ten behoeve van de huwelijksmoraal, maar blijkt in tweede lezing – hoe kon het ook anders – dit niet te zijn. Uit de verzuchting van de vrouw bleek al dat de twee elkaar pas kortgeleden hebben leren kennen: “…en nu, nu heb ik jou ontmoet!” De opwinding van het eerste contact vindt nu haar uitweg en de man wil seks. Daartoe stelt hij haar allereerst gerust, op een weliswaar rituele, maar ook zeker gratuite wijze: onze wederzijdse warmte zal het kind doen stralen en verheffen! – Wie zo gemakkelijk beloften maakt, verdient wantrouwen.

Zeker aangezien “Verklärung” de term voor de tenhemelopneming van Christus en Maria is. De ongehoorde vraag stelt zich bijna of dit nu niet de belofte is om de ongeboren vrucht snel naar de volgende wereld te helpen..! Dat lijkt wat al te dol gedacht, maar enigszins ijdel is de belofte van de man zeker: al in de zinsnede “jij hebt zelf de glans in mij gebracht” schuilt seksuele opwinding, waaraan de man wél willoos móet toegeven: “Jij hebt mijzelf tot kind gemaakt.” – De opgewonden man kwijlt als een hongerige hond.

Dehmels bundel “Vrouw en wereld” biedt naast seks en godsdienst met gevaarlijke vrouwen ook veel draken: draken van gedichten! En dat mag vóór Dehmel spreken: hij experimenteert, hij durft. Vaak doet Dehmels hang naar de vergeestelijking, de sublimatie, maar ook de verbinding van het zinnelijke met het goddelijke denken aan het werk van de Tachtigers:  “Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten […] úwe lippen in een wilden vloed van kussen…” (Willem Kloos).

Dehmel is stoutmoediger: de heerlijk verzinnelijkte nacht is een lofzang op de vleselijke liefde, die de dichter goddelijk noemt. En, misschien is alles wel goed gekomen met de twee en zijn ze getrouwd, met een geëcht kind, zodra de lust bekoeld was. – Het waren wilde nachten in 1896.

Hierna volgt mijn vertaling die is gemaakt voor de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam 2018. Als een volgend orkest ze wil gebruiken in de programmaboekjes, wil ik daarvoor toestemming geven, mits mijn naam als vertaler volgt.

Verlichte nacht

Twee mensen gaan door kaal, kil woud;
de maan loopt mee, hun blik beschouwt.
De maan loopt over hoge eiken,
geen wolkje omfloerst het hemellicht,
waarin de zwarte kruinen reiken.
Er spreekt een vrouwengezicht:

Ik draag een kind, en niet van jou,
ik loop in zonde naast jou.
Ik ben mijzelf zwaar te buiten gegaan;
ik geloofde niet meer in geluk
toch hield een diep verlangen aan
naar levensvrucht, naar moedergeluk
en plicht – toen heb ik mij verstout,
liet mijn schaamte huiverend boud
bevoelen door een man zonder naam
én heb mij geprezen en gezoet.
Nu heeft het leven zich gewroken,
nú heb ik jou, o jou ontmoet.

Zij loopt met onbeholpen tree,
zij kijkt omhoog, de maan loopt mee;
haar donkere blik verdrinkt in licht.
Er spreekt een mannengezicht:

Het kind dat jij hebt gekregen,
wees hem onbezwaard toegenegen,
en zie, hoe helder het heelal schittert!
Het grote Al glanst om ons twee,
jij drijft met mij op koude zee,
maar een eigen warmte glinstert
van jou in mij, van mij in jou;
het vreemde kind zal met licht verkoren,
uit jou, voor en van mij, worden geboren,
jij hebt de glans in mij geraakt,
jij hebt mijzelf tot kind gemaakt.

Hij pakt haar bij de stevige dij
in de lucht mengt zich hun adem vrij,
twee mensen gaan door helverlichte nacht.

Verklärte Nacht

Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen,
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.
Die Stimme eines Weibes spricht:

Ich trag ein Kind, und nit von dir,
ich geh in Sünde neben dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen;
ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensfrucht, nach Mutterglück
und Pflicht – da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt,
nun bin ich dir, o dir begegnet.

Sie geht mit ungelenkem Schritt,
sie schaut empor, der Mond läuft mit;
ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:

Das Kind, das du empfangen hast,
sei deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um Alles her,
du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von dir in mich, von mir in dich;
die wird das fremde Kind verklären,
du wirst es mir, von mir gebären,
du hast den Glanz in mich gebracht,
du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Er faßt sie um die starken Hüften,
ihr Atem mischt sich in den Lüften,
zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.

Kants antinomieën

Over en na het tekortkomende menselijke kenvermogen

Het tweede deel van Kants Kritik der reinen Vernunft legt de innerlijke tegenstrijdigheden van het menselijke weten, zogenaamde antinomieën bloot.

Het betoogt onder andere dat het menselijke bevattingsvermogen zichzelf beperkt door zichzelf, omdat de door dit vermogen bevatte en begrepen kennis voortbouwt op a priori-kennis, eerdere oordelen en afgeleide aannamen, waardoor nooit geheel en al geweten worden kan, wat de te kennen werkelijkheid of onwerkelijkheid is of zal zijn, noch in kwaliteit, noch kwantiteit.

Kants observatie van deze antinomieën pleit naar mijn idee juist vóór het in het door kennisstreven bevlogen menselijke kenvermogen op grond van kritisch empirisme en rationele falsifieerbaarheid, omdat – dit is het punt – zulk kenvermogen zich bewust is van de eigen beperking. Het niet-weten wordt geweten. Dat mag “zuivere rede” heten.

Immanuel Kant, staalgravure door J.L. Raab

Immers, wat zou anders achter de vraag naar inhoud der begrippen “nooit en al” in verbinding met “werkelijkheid en onwerkelijkheid” moeten schuilen dan de aansporing tot nieuwsgierigheid naar hun veranderende betekenis, nu enige tegenstelling in die begrippen vals is? Het is alleen dit besef, dat de beperking van het bevattingsvermogen te vaak overzien wordt, te vaak ervaren wordt als beperking, terwijl zij een aansporing is om te denken in ongedachte en toch zo nauwkeurig mogelijk omschreven mogelijkheden.

Een citaat uit Kritik der reinen Vernunft dat het principiële uitgangspunt van Kant illustreert: „… Aber wie weit sich die transzendentale Teilung einer Erscheinung überhaupt erstrecke, ist gar keine Sache der Erfahrung, sondern ein Principium der Vernunft, den empirischen Regressus, in der Dekomposition des Ausgedehnten, der Natur dieser Erscheinung gemäß, niemals für schlechthin vollendet zu halten.“ * —

…Maar hoever de transcendentale deling van een verschijnsel in het algemeen zich voortzet, is helemaal geen ervaringskwestie, maar een principe van de rede, om de empirische regressus [het terug vervolgen volgens wetenschappelijk bewijsbare en herhaalbare voorwaarden], in het ontrafelen van het uitgestrekte, naar de aard van de natuur van het gegeven [en te onderzoeken] verschijnsel, nooit voor zomaar beëindigd te houden.

* (bron: Immanuel Kant, Kritik der reinen Vernunft¸Berliner Ausgabe, Herausgeber Michael Holzinger, 2013, blz. 308.)
Link: http://www.zeno.org/Lesesaal/N/9781484032114?page=308

Mutti not amused

Böhmermanns hekeldicht voor Nederlanders

Jan Böhmermann is de Duitse Arjen Lubach: beiden presenteren een televisieshow waarin de grenzen van meningsvrijheid met kraaiend plezier onderzocht en bereikt worden. Donderdag 31 maart jl. maakte Böhmermann een nieuwe aflevering van ZDF NEO MAGAZIN ROYALE waarin hij een smaaddicht op de Turkse president Erdogan voorlas wegens diens ondemocratische regeerstijl en bovenmatige gevoeligheid voor kritiek.

Böhmermann op Erdogan
Naar aanleiding van dit smaaddicht deelde de persvoorlichter der Bondsregering op 4 april kort mee dat Merkel heeft gebeld met haar ambtsgenoot in Turkije. Beiden zouden het er eens over zijn geworden dat het ging om “bewust kwetsende teksten”, waarbij de bondskanselier wees op het feit dat de betreffende omroep al zijn consequenties getrokken had.

Het ZDF heeft inderdaad het hekel- of smaaddicht uit de online omroeparchieven verwijderd en heeft daarmee zelfcensuur toegepast, maar de vraag blijft of nu de redactie van het ZDF voor de Duitse regering buigt, of wellicht de Duitse regering voor de misnoegde reacties uit Ankara.

Dat het hier gaat om een opzettelijk gespeeld spel zijdens de redactie van het ZDF NEO MAGAZIN ROYALE ligt voor de hand: het is niet aannemelijk dat zij een justitieel onderzoek wegens belediging van een bevriend staatshoofd afwacht of een openbaar debat over publiek betaalde betamelijkheid, gelet op die ene en voornaamste internetwet dat alles wat je in het web gooit, daar blijft. — Altijd, ergens. De redactie kon ervan uitgaan dat iemand, ergens een kopietje zou maken.

Met juridische slimheid en retorische gevatheid droeg Böhmermann het gedicht voor als een ter plekke uitgevoerd onderzoek naar de grens tussen politieke satire en smadende kritiek. Het eerste is in elk geval grondwettelijk beschermd, het laatste zou — dat is de vraag — wellicht buiten deze bescherming vallen. Het eerste zou daarom wél, het tweede niét tot de opdracht van publieke omroepen behoren. De vloeiende grens tussen politieke satire en hekeldicht werd onlangs naar het oordeel van Erdogan overschreden in het liedje Erdowo, Erdowan, Erdogan, waarna de Duitse ambassadeur in Turkije ter verantwoording werd geroepen.

Hieronder volgt een losse vertaling van dit steentje des aanstoots. Het Duitstalige origineel volgt daarna.

Smadende kritiek
Dom, stom en laf, kurk in de kont,
loopt Erdogan als president in het rond.
Zijn geleuter stinkt enorm naar kebab,
Zelfs varkensstront ruikt beter dan die grap.

Hij is de man die graag meisjes slaat,
en daarbij zelf in latexmaskers staat.
Het liefst wil hij de geiten neuken,
en dan wat minderheden beuken,

Koerden kwellen, Christenen kastijen,
kinderpornootje d’rbij, om zich op te rijen.
Zelfs ’s avonds wil hij niet slapen,
maar fellatio met honderd schapen.

Ja, Erdogan is absoluut, geheel en al,
president met een bijzonder klein geval.
Elke Turk heeft het nieuwe lied al gefloten,
over de domme hond met de dorre kloten.

Van Ankara tot Istanboel is het idee,
deze man is zonder dollen supergay.
Een vlooienbaal, pervers en zoöfiel,
noem hem gerust: Recep Fritzl Priklopil*.

Het hoofd leeg, de ballen zonder zaad,
een ster die naar elke gangbang gaat,
tot zijn pik vol zweren leert: impotent.
Dat is Recep Erdogan, de Turkse president.

* Recep Fritzl Priklopil is een verhaspeling, waarin de voornaam van de Turkse president met de achternamen van twee beruchte zedenschenders wordt samengevoegd: Josef Fritzl en Wolfgang Priklopil.

Schmähkritik
Sackdof, veige und verklemmt,
ist Erdogan der Präsident.
Sein Gelöt stinkt schlimm nach Döner,
selbst ein Schweinefurz riecht schöner.

Er ist der Mann der Mädchen schlägt,
und dabei Gummimasken trägt.
Am liebsten mag er Ziegen ficken,
und Minderheiten unterdrücken,

Kurden treten, Christen hauen,
und dabei Kinderpornos schauen.
Und selbst abends heißt’s statt Schlafen
Fellatio mit hundert Schafen.

Ja, Erdogan ist voll und ganz,
ein Präsident mit kleinem Schwanz.
Jeden Türken hört man flöten,
die dumme Sau hat Schrumpelklöten.

Von Ankara bis Istanbul,
weiß jeder dieser Mann ist schwul,
pervers, verlaust und zoophil:
Recep Fritzl Priklopil.

Sein Kopf so leer, wie seine Eier,
der Star auf jeder Gang-Bang-Feier.
Bis der Schwanz beim Pinkeln brennt,
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident.

Bronnen:
– Het weggekuiste fragment:
http://www.liveleak.com/view?i=932_1459531349
– De verklaring van de persvoorlichter inzake het hekeldicht: https://www.bundesregierung.de/Content/DE/Mitschrift/Pressekonferenzen/2016/04/2016-04-04-regpk.html
– De Frankfurter Allgemeine Zeitung:
http://www.faz.net/aktuell/politik/ausland/europa/tuerkei/angela-merkel-haelt-boehmermanns-erdogan-gedicht-fuer-verletzend-14160031.html
– Die Welt:
http://www.welt.de/politik/ausland/article153972141/Merkel-spricht-mit-Davutoglu-ueber-Boehmermann.html– Tagesspiegel:
http://www.tagesspiegel.de/politik/praesidentenbeleidigung-im-zdf-wer-angst-vor-pointen-hat-sollte-keine-witze-senden/13394378.html

Nagekomen bericht: Na publicatie van deze vertaling maakte de Tagesspiegel bekend dat het Openbaar Ministerie te Mainz een onderzoek naar een strafrechtelijke vervolging van Böhmermann instelt wegens belediging van een bevriend staatshoofd. Pikant is daarbij dat de bondskanselier de teksten nu al als “bewust kwetsend” heeft bestempeld, waarmee zij een juridische afweging maakt. Tegelijkertijd echter benadrukte zij de grondwettelijk gegarandeerde meningsvrijheid.

Ik verwacht niet dat de persoon Böhmermann uiteindelijk strafrechtelijk wordt vervolgd: de achterliggende maatschappelijk-juridische vraag naar de wat binnen de grondwettelijk omschreven opdracht van “openbare omroepen” is namelijk formeel het kader én het thema van de scène waarbinnen het gedicht voorgedragen werd. Deze vraag wilde Böhmermann hardop stellen naar aanleiding van de nu in Duitsland steeds breder gedragen behoefte aan publieke omroepen, die op grotere afstand staan van politieke leiding.

De zeer populaire Böhmermann heeft niet zomaar een scheldkanonnade voorgedragen, maar een tekst voorgelezen die hij introduceerde als een onderzoek naar de satirische reikwijdte van wat op publieke zenders gezegd mag worden; het was naar de vorm een speels onderzoekje naar en commentaar op het door politici terloops geformuleerde verschil tussen satire en hekeldicht, in het internettijdperk.

Formeel ontbreekt daarmee het oogmerk om te beledigen, maar is het een kritische kunstuiting, die allereerst beoogt een bijdrage te leveren aan het debat over een nieuw te regelen omroepvrijheid in Duitsland, waarbij en passant de niet te loochenen autoritaire regeringsstijl van Erdogan bekritiseerd wordt in overduidelijke hyperbolen (“fellatio met honderd schapen”). Voor zulke uitingen geldt de exceptio artis (de juridische uitzondering van en voor de kunst), eveneens grondwettelijk beschermd, waarom naar verwachting een daadwerkelijke strafrechtelijke vervolging, laat staan veroordeling, niet zal slagen.