Voor de zondeval – Wagenaar en Sesamstraat

Wagenaar en jeugdherinnering; Sesamstraat.

Sesamstraat – een begrip uit beton; iedereen herinnert het zich. Dácht u! Néén!, zo leert mijn wijlen rector magnificus, de heer prof. dr. Willem Wagenaar: herinneringen kunnen met terugwerkende kracht geïmplanteerd worden. Men méént zich iets te herinneren, en dat is ook zo met Sesamstraat. Nu is mijn ervaring met het door Wagenaar gestelde volledig gelijkluidend en derhalve wantrouw ik mijzelf, zoals u ook zou moeten doen. Ik bedoel, niet alleen mij, al raad ik u het aan, maar vooral ook uzelf en dát raad ik nog meer aan, vooral, als het gaat om canonieke programma’s als “Sesamstraat”.
En nu wil ik uitnodigen voor een spelletje! Vreest u niet: het is tamelijk simpel en er valt gelukkig niets mee te winnen, behalve dan scherpte des geestes.

Sesamstraat is van 1976 tot nu toe doorlopend uitgezonden. Er is zodoende  een dag geweest dat u in uw kinderstoel zat met uw brinta en dacht, heeeee, dít is Sesamstraat, dit is mooi, dit is mijn programma! Juist, naar die dag willen wij terug, de dag vóór de zondeval.

Het spelletje gaat als volgt: bekijk de Sesamstraat-intro’s en roep alleen hoera, als u zéker weet dat u het zich herinnert. Klikt u hier op uw uw Sesamstraat-intro! (http://www.youtube.com/watch?v=Kje-Aj6YPLs)

Maar, en nu komt het grote maar: niet vals spelen! Tussen (leren) kennen, weten, zich herinneren en opnieuw leren kennen is verschil. Dat lijkt duidelijk, maar dat is het niet. Kijk, het is  eenvoudig om mij ergens voor de televisie neer te zetten, ergens begin jaren tachtig, ergens tussen de herhalingen van Floris. Dan zou ik deze mij herinneren en voor ik het zelf doorheb, meen ik mij de eerste uitzendingen te herinneren. Alleen dat zou wel héél knap zijn: de eerste uitzendingen van Floris hadden plaats voor mijn conceptie.

En daarom moet u zichzelf wantrouwen, want ook in u schuilt dit soort gemak waarmee schrijvers de wereld herscheppen. Bij dit spelletje moet er een innerlijk belletje afgaan: nee, dat herinner ik mij niet! Alles wat u zich meent ter herinneren, of later hebt gezien, telt bruut niet mee.

Hoe werkt het bij mij in het geval van Sesamstraat? Wel, bij Pino in het nest uit 1977-78 krijg ik warme gevoelens. Die gast in dat nest ken ik toch? Maar weet ik zeker? Nee, ik zou het voor de rechter niet kunnen herhalen. Na enige aarzelende, maar steeds sterker wordende herinneringen, weet ik het zeker: ik word inténs, maar dan ook intens blij en gelukkig en ook heel erg springerig bij het geluid van de rennende kinderen uit 1982. Ik bén een van die kinderen uit 1982.

Hoe kan ik het omschrijven? Ik ben thuis: appeltaart, oneindige tuin, zon, zoen van moeder, ik krijg grote tanden, de Koningin is lief, Sinterklaas ook, ik moet nog blokfluit spelen; alles klopt. Een wereld vóór de zondeval.

Speelt u het spelletje en wellicht denkt u, net als ik, wat doet die rotmuis hier? Die muis heet “Ieniemienie” en zij heeft de schuld aan alles.

Zij was er niet in mijn vroegste indruk -of was het een herinnering?- en niet alleen daarom moet ze weg, haar naam is even bespottelijk als haar pieplach kranjorum is. Zij is erin geslopen; het is der muizen aard om een paradijs heimelijk en gemelijk piepend te verstoren. In deze lijn behoeft het geen betoog dat meneer Aart terug moet: hij was er altijd.

Mijn verontschuldigingen aan hen die door de datum hunner conceptie of door hun destijdse plaatsing in de wereldorde, zoals geografische locatie, niet in staat zijn geweest om Sesamstraat te bekijken of al bezig waren met ander canonieks, de werken van Tolstoj bijvoorbeeld. Dat begrijp ik. Ikzelf voel een diepe genegenheid, met terugwerkende kracht voor de Afrikaanse tegenhanger van Sesamstraat, namelijk “Haas Das se Nuuskas”. Ek was sommer daar! Jy verstaan vir my?

Er zijn luttele bewegingen nodig om het mij te herinneren.

P.S. Het mooiste is wel dat Sesamstraße het begin aller dingen is, als het om Duits gaat, maar dat wist u al, toch?

Voor de zondeval

Mozart and a blond labrador before the Fall of Mann. Mozart und ein blonder Labrador vor dem Sündenfall. Mozart en een blonde labrador voor de zondeval. Don Giovanni. Emile van Brakel. Seks.

Dwars door de najaarsstorm, dwars door de twijfel van een 14-jarige, jaag ik mijzelf naar buiten, want labrador Trees moet uit. Hoge populieren zwaaien, gooien takken op mijn weg en sissen. Populieren sissen in harde wind, waarschijnlijk omdat ze zo hoog zijn.

Maar ik trap door op mijn fiets, uit mijn walkman barst Mozart op een lauwe batterij, mijn dynamo zwiep- zwabbert op het voorwiel. Als een heuveltje hikt, hikt het bandje mee. Maar, al te duidelijk versta ik, zonder kennis van Italiaans: “Respondi mi! – Antwoord mij!”

Geen idee waarover de mannen zingen, maar zij worden de populieren die roepen: Antwoord, geef verdomme antwoord! Nu, ik doe je wat, vandaag nog!

Godzijdank is het maar een loopje met de hond en de walkman en begrijp ik alleen nog maar die oervraag, want de rest is nog veel erger – een loopje met belofte; schuld en seks en dood – véél te véél voor mij: ik ben pas 14. Trees en ik zijn snel weer thuis.

Koekje?! Oortjes omhoog.

Peter Sloterdijk: de co-immune mens!

Recensie van Peter Sloterdijks Je_moet_je_leven_veranderen.

Peter Sloterdijk, Karlsruhe, 2009
Auteur: Rainer Lück http://1RL.de
Bron: Creative Commons, Wikipedia

Voor 8weekly heb ik met plezier Sloterdijks nieuwste boek besproken. Hieronder staat de tekst, waarin ik Sloterdijks toekomstvisioen van “de co-immune mens” samenvat.

Zo’n 280 kaaskoppen luisterden op vrijdag de dertiende naar de wereldberoemde Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Eigenlijk hadden 20 miljoen Nederlandssprekenden Sloterdijks boodschap moeten horen: de co-immune mens sta op!

Een academisch filosofische lezing ter gelegenheid van het uitkomen van Je moet je leven veranderen, de voortreffelijke Nederlandse vertaling van Du musst dein Leben ändern, zal in het algemeen weinig mensen trekken. Als bovendien de voertaal Duits is, wordt het publiek nog kleiner. Bijgevolg toog er een honderdtal mensen vrijdag 13 mei 2011 naar Felix Meritis te Amsterdam voor Sloterdijks lezing.

Filosofische rijkdom voor weinigen
Een honderdtal kritisch luisterende mensen, wier gemiddelde leeftijd rond de 45 ligt, mag gerust een groot aantal voor dit land worden genoemd: nog afgezien van het onderwerp, voor velen is academisch Duits eenvoudigweg te lastig (geworden). Dat is jammer, want Sloterdijk is een buitengewoon onderhoudend en charmant spreker die de juiste dosering tussen ernst en ironie treft. De vragensteller, prof. dr. René ten Bos, hoefde maar weinig gedachten op te werpen om uitgebreide en doorwrochte antwoorden te krijgen.

Sloterdijk, literator maar ook televisiepresentator, associeert met gemak een kwartier lang op een vraag, waarbij hij peurt uit zijn schijnbaar onuitputtelijke kennis en ervaring. Literaire, filosofische, kunsthistorische, zelfs natuurkundige themagebieden bewandelt hij, waarbij hij uiteindelijk met een glimlach op het oorspronkelijke uitgangspunt terugkeert.

Met een glimlach
Zoals Sloterdijk spreekt, zo schrijft hij ook: ‘mit einem kleinen Lächeln’, met een genoegzaam, provocant en charmant glimlachje. Sloterdijks boek begint met het blootleggen van de processen die schuilgaan achter geïnstitutionaliseerde godsdienst en religiositeit in het algemeen. Dit doet hij niet volgens de bekende, tot vervelens toe herhaalde standpunten (darwinistische, creationistische, enzovoort), hij zet trefzeker de bijl aan de wortel van het discours:

We moeten opboksen tegen een van de massiefste pseudo-evidenties van de recente geestesgeschiedenis, namelijk tegen het pas sinds twee- of driehonderd jaar in Europa heersende geloof in het bestaan van ‘religies’, sterker, tegen het ongefundeerde geloof in het bestaan van het geloof. Het geloof in de feitelijkheid van ‘religie’ is het element dat gelovigen en niet-gelovigen nog steeds met elkaar verbindt.

De doorwrochte en uitgebreide argumentatie van Sloterdijk grovelijk tekortdoend, gaat het erom dat niet slechts een bepaalde godsdienstbeleving cultureel opgelegd wordt (ook het begrip ‘cultuur’ is al een groot misverstand), maar dat Sloterdijk ‘het talent voor religiositeit’ beziet als een psychoneurotische neiging: een ‘oefening’ in Sloterdijks idioom, een herhaling ter verbetering, zoals het leven, deze ‘orgie van repetiviteit’, er vele kent.

Leven: orgastisch oefenen
De ‘religiositeitsoefening’, de dagelijkse oefening in godsdienst, legt hij uit aan de hand van het gedicht ‘Archaïsche torso van Apollo’ van Rilke. Dit gedicht beschrijft de gewaarwording van beschouwing: de aanblik van een marmeren mannelijke torso is dermate indringend dat niet langer alleen de toeschouwer de torso beziet, de torso kijkt terug! Sterker, hij ziet in zijn volmaaktheid dwars door de toeschouwer heen. Rilkes innerlijke stem besluit het gedicht haast beduusd: ‘Zo doorleven kun je niet’ – en passant de bron van Sloterdijks boek – pure intertekstualiteit.

Sloterdijks bezwaar tegen Rilkes observatie is dat subject en object worden omgedraaid. Een stenen torso kan immers niet terugkijken in de natuurkundige zin des woords. Neemt iemand, op het moment dat hij het gedicht leest en zich in Rilke verplaatst, aan dat het marmeren beeld ‘echt’ terugkijkt, wat natuurkundig bezien een onmogelijkheid is, dan verricht hij een ‘microreligieuze handeling’, aldus Sloterdijk.

Hier overtuigt Sloterdijks argumentatie en slaat hij de spijker op de kop, zo hard dat deze door de plank heengejaagd wordt. Jazeker, poëzie, religie en exegese werken met analogieën, maar het doorzien van het analogisch principe is nog geen anti-godsbewijs, zou je Sloterdijk willen toevoegen. Werkt immers de natuurkunde ook niet met analogieën?

De co-immune mens
Hier staat tegenover dat het boek niet een groot pleidooi tegen de godsdienst is; eerder een pleidooi voor een zelfkritische omgang daarmee. Verdedigbaar is zelfs dat Sloterdijk oproept tot een nieuw besef, dat in zijn volstrekte nuchterheid door geen enkele godloochenaar valt te ontkennen. De mensheid zal in zichzelf stikken op deze aarde als haar bronnen uitgeput zijn (bevolkingsoverschot, milieurampen) en daarom pleit Sloterdijk voor de ‘co-immune mens’, de samenwerkende mens, die de grens tussen zichzelf en de ander in beschaving overwonnen heeft. Mijn belang is zijn belang, mijn nood is zijn nood.

Want, aldus Sloterdijk op de lezing: ‘Der Mensch ist eine schutzbedürftige Einheit’ – De mens, een voorwerp dat het beschermen waard is. Het lijkt verdorie wel een christelijke, herstel, humane idee.

Waarom de lezing niet met de ‘Ode an die Freude’ uit Beethovens Negende werd besloten, is een raadsel: ‘Alle Menschen werden Brüder!’ Het had gekund en het had gepast: Sloterdijks geestestuin is een rijk en wijd en volmaakt cultuurlandschap, waar letzten Endes ieder ieders broeders hoeder is, of noodgedwongen moet zijn. — Maar wat nou als er iemand Kain heet?

Knijpkat

In 1942 trouwen mijn grootouders; de knijpkat gemaakt in Kamp Vught

In 1942 trouwden mijn grootouders. Door stom toeval marcheerde er, juist op het moment dat zij uit het stadhuis kwamen, een troep Duitse soldaten voorbij, luid zingend. Er was geen camera om iets van dat verbluffende voorval vast te leggen. Niemand had technisch slimme talismannetjes waarmee je overal en altijd met iedereen in contact staat.

Tiel, 1942

2010: mijn grootvader overlijdt en ik krijg zijn levenslange talisman: een knijpkat, een zaklamp zonder batterijen, “mocht het licht uitvallen”. Ik zoek op internet naar gegevens over de zaklamp, vul het typenummer in, en lees over het Philipskommando in kamp Vught. In betrouwbare stroomvoorziening kon niet meer voorzien worden; in regelmatige aanvoer van tewerkgestelden wel.

De herinneringen van mijn grootmoeder aan haar huwelijksdag, “Ze zongen luidkeels Gerda, Ursula, Marie, Marie!”, treffen ook online meteen raak: een Youtube-gebruiker biedt unverfroren de mars aan, waarop mijn jonge grootouders getrakteerd werden. 70 jaren vallen met een knopdruk weg.

Voorzichtig heb ik de talisman van mijn grootvader gerestaureerd, niet omdat het licht uitvalt –dat gebeurt toch– het is eerder omdat niet meer te achterhalen is, wie hem in elkaar gezet heeft, in 1942.

Noorderreus dicht

Meindert Talsma – recensie – Laat het orgel jammeren

Voor 8weekly, website voor recensies van film, theater, literatuur, beeldende kunst en muziek, heb ik met plezier Meindert Talma’s dichtersdebuut besproken.

http://www.8weekly.nl/artikel/9123/meindert-talma-laat-het-orgel-jammeren-noorderreus-dicht.html

Meindert Talma – Laat het orgel jammeren
Laat het orgel jammeren biedt vooraleerst eerlijke gedichten: recht voor zijn raap zoekt Meindert Talma de rafeltjes van de krankzinnigheid op, in onopgesmukte noorderlingenromantiek. De lezer is geroerd en vermaakt, maar hoopt vurig dat hier Talma’s alter ego spreekt, want de authenticiteit is schiftend echt. Meindert Talma is ‘muzikant, schrijver, en nu dus ook dichter’, verkondigt de achterflap. Is het een niet al in het ander besloten? Ja en nee: een gedicht moet het op zijn eigen merites redden, ook zonder muziek. Daarom wordt hier strengelijk de letterkunde-norm aan deze bundel gelegd, waarbij de weegschaal nu eens in evenwicht is, dan weer doorslaat: een gedichtenbundel is geen stapeltje lyrics met een mooi kaftje eromheen, zoals er wel meer geproduceerd worden.

Kom jongske
Er valt wat te lachen in de wereld van deze ik-persoon. Zelfs in wanhoop toont dit figuur zich niet vrij van melancholische spot. Als een zogenaamde lichthelm-constructie tegen de winterdepressie moet helpen – de lezer stelle zich een soort continue zaklamp boven de wenkbrauwen voor – constateert het ik droogjes: ‘De lichthelm deed ik op tijdens het repeteren. / Dat was wel even wennen voor de bandleden.’ De ik-persoon is een eerlijke stuntelaar, een lieve reus, die je het liefst goedmoedig op de schouders zou willen kloppen – kom jongske, zo erg is ’t toch niet – maar die schouders zitten zo verdomde hoog!

Een enkele keer veroorlooft Talma zich een luie verwarring tussen proza en poëzie, wat te zien is in het ophakken van zinnen in korte regels en het weglaten van leestekens. Zo’n lui gedicht is Topvorm: ‘De sporen / van een / jolige avond / en dito nacht / zijn moeiteloos / te ontdekken / op het wit / weggetrokken bekkie.’ De zin is apodictisch, maar waarom hem opgehakt? Waarom een nieuwe regel voor de woordjes ‘van een’? Hoeveel kan een lezer in deze twee woorden met alle beste wil van de wereld lezen? Veel, toegegeven, en tegelijkertijd bitter weinig. Deze luie wijze van poëzieproductie is een uitzondering in deze lustig experimenterende bundel. De 55 gedichten variëren sterk in vorm en inhoud, maar er zijn minstens tien zo goed, dat zij ‘niet onopgemerkt gebleven zijn’.

Broos en verwondbaar
Een van de potentieel klassieke gedichten is het volgende:

Eenenveertig
Ik ben eenenveertig
de beste leeftijd voor een man.
Maar er wringt wat
er wringt altijd wel wat.
Mijn hart dat zingt niet
het zingt nooit zo hard.
Als je wat van me wilt
moet je het ruim van tevoren vragen
en als het even kan
nog een paar keer herhalen.
Maar pin mij er niet op vast
en val mij er niet mee lastig
want ik ben klaar om te vallen
zo diep al het maar kan.
Ik ben eenenveertig
de beste leeftijd voor een man.

Meindert Talma (foto Henx Henk Veenstra)

Dit gedicht is in inhoud en vorm klassiek, omdat het stand houdt. Schijnbaar zo rustig opgeschreven vallen de pauzes hier op het juiste moment. Elke regel biedt nieuws, waarom 41 een diep en zwaar hoogtepunt voor een man is, die halfslachtig twee verschillende boodschappen uitzendt. Goed is dat open blijft waarop de 41-jarige niet vastgepind wil worden. Dit is Talma op zijn toegankelijkst. Broos en verwondbaar, en toch ook afgewogen.

Geschiftheid
Het geschifte speelt bij Talma een aanmerkelijke rol: geschift is de absurde inhoud van enkele gedichten die de plank misslaan (De voetbalsnor van Adolf Hitler), maar geschift is ook het onverholen en onverholpen psychologisch in de war zijn, de toestand waar intelligentie doordraaft en met lust en weemoed wegholt. In de naakte en aandoenlijke beschrijving van deze toestand is Talma trefzeker, zoals blijkt uit het bundelgedeelte Breingolf gestuurde spraakvervormer. Hierin neukt een patiënt zijn lustobject Johanna in een kamer vol wanorde, waar het ruikt naar ‘gekookte aardappels met kattenstront’, om daarna maar een geluidsopname van een dampartij op de koptelefoon af te spelen, ‘om het gejank van Johanna’ maar niet te horen.

Talma deugt in oprechtheid. Een oprechtheid die worstelt met een kerkelijke achtergrond, gekte, lust, liefde en het leven als muzikant op het elektronisch orgel; een oprechtheid die spot met ego en wars is van fratsen. In een mogelijk volgende bundel staan vast en zeker nog meer gedichten die zichzelf ook los van muziek redden en scherper in metrum en inhoud zijn. Talma is namelijk, in zijn eigen woorden, een gedreven orgelspelende ‘stadskabouter’, die bij tijd en wijle reusachtig ontroert.

Ontreddering als detective

Magnus is een lekker verhaal! Het is een detective en een zoektocht naar persoonlijke drijfveren. In verstrooide poëtische zinnen duidt Arjen Lubach de verschillende thema’s: puberteit, eindexamen, anders zijn, liefdesverdriet, manipulatie, kunstenaarschap en geborgenheid.

Voor 8weekly, website voor recensies van film, theater, literatuur, beeldende kunst en muziek, heb ik met plezier Lubachs nieuwste boek besproken:

In Magnus zet Arjen Lubach in een detectiveachtige verhaallijn verliefdheid af tegen geborgenheid, puberliefde tegen het dertigerschap, en artistieke oorspronkelijkheid tegen verslaglegging van de eigen gekte. Dit onder toevoeging van oerig poëtische beschouwinkjes. Dit boek is lekker! Het charmeert, ontroert en leest als een trein.

De eerste zin van Magnus is: “Er was eigenlijk maar een ding veranderd.” Maar daarmee is alles veranderd. Jeugdliefde Caro is verdwenen uit het leven van Merlijn, de 37-jarige Amsterdamse ik-figuur. De rouw hierom schetst Lubach kundig en heftig, zoals alleen mannen kunnen rouwen die doodziek van liefdesverdriet zijn: totaal en gigantisch. En dan verschijnen er onverklaarbare afschrijvingen op Merlijns creditcardrekening. Hij gaat naar Stockholm om dit te onderzoeken, of is het een vlucht? Merlijn vindt de bedrieger Magnus, maar ontdekt meer. Iedereen heeft wel verzwegen of anders benadrukte feiten in zijn leven; dingen die je niet zo duidelijk hebt gezegd, omdat ze misschien wel te pijnlijk of te privé waren. Wil je je lief pijn doen? Wil je rotzooi van vroeger benoemen?

Psychologische spiegeling
Het hele verhaal is dramatisch gespiegeld: wat in Amsterdam verloren ging, wordt in Zweden gevonden of verklaard. Even mag Merlijn zijn jaren als twintiger overdoen, met een nieuwe liefde. Even werkt zijn escapistisch besluit om te vertrekken. Het toneelstuk waaraan hij schrijft vlot beter, maar dat komt ook doordat de nieuwe ervaringen zijn schrijverijen binnensluipen. Blijft Merlijn daarmee nog trouw aan zijn eigen oorspronkelijke, artistieke uitgangspunt, waarmee hij de Nederlandse toneelwereld versteld wilde laten staan in grootsheid? Dit boek is hybride: het is een half-detective, vervlochten met een zoektocht naar de Eerste Echte Grote Schoolliefde, het lijden daaraan, de eindexamentijd, de studietijd. En wat als een man in het vanzelfsprekende Amsterdamse milieu dit allemaal verliest? En opnieuw begint als en met een twintiger?

Onmacht en afhankelijkheid

Merlijn heeft het verlies niet over zich afgeroepen: de mens heeft niet zelf alles in de hand. Hij is ondergeschikt aan de beperkingen die besloten liggen in karakter, in de manier waarop hij in elkaar is gezet, en de lotgevallen die anderen voor hem bereiden. Vergelijk hiermee Merlijns aandoening, epilepsie, waardoor hij ‘absences’ beleeft, tijdsspannen waarin hij ‘er niet is’. Daardoor is Merlijn afhankelijk van anderen die hem over de niet-beleefde tijd vertellen.

In zijn jacht naar de creditcarddief verzucht Merlijn: “Nog meer dan anders werd het mij duidelijk dat we dieren zijn. Dieren die weten hoe ze roomservice moeten bestellen, maar als het erop aankomt blijven we dieren.” Zulke beschouwingen strooit Lubach her en der rond, als pareltjes die in een plotverfilming nooit tot hun recht zouden komen. Lubach blijkt een poëet: ‘Ze knipoogde en gaf me een kus die de flat omduwde.’

Liefde als aandoening
Wanneer Merlijn het antwoord vindt op het verwijt dat zijn geliefde hem maakte, toen zij hem verliet (‘Jij bent zo fucking hetzelfde!’), waarbij de plotlijnen met filmische kunde in elkaar haken, herinnert de lezer zich het commentaar van de oudere ik op de eindexamen-ik: “Jij valt rechts noch links van de weg af, je raakt soms de berm aan, […] maar daadwerkelijk ontsporen zul je nooit. Sleep jezelf erdoorheen. Ze zullen je verwijten dat je te weinig doet, maar meer doen kan altijd nog. Het houdt nooit op.”

Op ingenieuze wijze heeft Lubach een detectiveverhaal verweven met een zoektocht naar de drijfveren achter de liefde. In de gejaagdheid waarmee de hoofdpersoon zijn liefdesverdriet sublimeert in een nieuwe verliefdheid, terwijl hij afleiding zoekt in de jacht op een misdadiger, ligt Lubachs verdienste.

Met filmische snelheid schiet de lezer door het emotionele landschap; de periode van eindexamentijd tot eind dertig verschiet in Merlijns herinnering met precisie. Waar de haast naïeve geest van de hoofdpersoon ten volle tot zijn recht komt, had Magnus’ manipulatieve inslag wellicht iets meer achtergrond kunnen krijgen, maar ach, dit is ook geen zwaar psychologische roman. Dit is een lekker verhaal met een strak plot, dat zich hier en daar zelfs bedient van poëtische gedachten.

—————

Ook te lezen op: http://www.8weekly.nl/artikel/9036/ontreddering-als-detective-arjen-lubach-magnus.html

Michael Dennis Donkers – Gute Nacht!

On the death of Mike Donkers, Michael Dennis Donkers

EINS ZWEI POLIZEI! DREI VIER BRIGADIER! FÜNF SECHS ALTE GECKS! SIEBEN ACHT GUTE NACHT! —- Ja-ja, was ist Lust, was ist das? Ja-ja, was ist Lust, was ist das?”, dondert het door LADADA, dé kroeg in Zeist, zo hard dat je de stomp in je middenrif voelt.

Eins Zwei Polizie

Het eindexamen is achter de rug, ik ben in het café van mijn schooltijd. Wij zijn allen goden; niemand kan beter zijn dan wij: wij zijn mooi, jong, gezond en hebben het officiële stempel dat wij het meeste beloven. Kortom, wij zijn goden.

Een gesprek met een oud-schoolgenote, 2011:
– “Kun jij je Mike Donkers nog herinneren?”
– “Jazeker.”
– “Ik heb nog met hem gezoend!”
– “Hahaha, ik óók!!”
– “Hij is dood… Aan leukemie.”
– “Hij is… dood?”
– “Allang…”


——————————————————————————————

Ergens, voorjaar 2011
Goede Mike! Gast!

Weet-je, ik kan het niet verdragen dat jij op internet maar één hit hebt! Jij hebt meer verdiend! Internet, je zult het daarboven misschien wel gemerkt hebben, is iets wat de afgelopen 20 jaar een reuzensprong heeft genomen. Wij praatten vóór 1999 nog “gewoon” door de telefoon met elkaar, als je iets wilde zeggen; nu schrijf je elkaar elektronische briefjes – nee, het is geen vooruitgang.

En mensen hebben nu een pagina op dat internet, voor zichzelf of voor hun beroep; een soort eigen bord aan de straat, waarop dan hun naam staat. IJdelheid allemaal natuurlijk. Maar goed, als je dan een term invoert in een “internetzoekmachine”, laten we zeggen het internet-telefoonboek, dan zie je vanzelf alle treffers met  die ene  bepaalde term.  Prachtig mooi…

Máár!, als ik nu, anno 2011, jouw naam als zoekterm invoer, vind ik maar één treffer en die verwijst naar jouw grafzerk. Dat is nogal rauw en tamelijk onterecht. Je hebt veel meer gedaan. Je hebt mensen ontroerd, je hebt gefeest, je hebt eindexamen gedaan. En niet lang ná dat eindexamen –goden waren wij– heeft jouw lichaam het opgegeven, zo blijkt, zo hoor ik. Dat doet pijn.

NOU! Dat ene ding ga ik éven hierbij goedmaken! 🙂
(Oh ja, dat ding daar heet een “smiley”– we zijn in een kinderachtige tijd aanbeland) Hierbij je tweede treffer in het internet, zodat de vluchtige computermensjes van nu ook zien dat je echt “in den vleze” geleefd hebt, zonder dat je zelf die ellendige profielen op Hyves of Facebook hoeft aan te maken.

De mededeling van jouw dood kwam voor mij wat later; je bent te vroeg overleden. In mijn herinnering zie ik je zó in  de Dorpstraat in Zeist, in Ladada, het café van hockeyend Zeist en omstreken. Als ik daaraan denk, zie ik ons, hoe wij elkaar een hand geven, met een grote glimlach, want wij zien elkaar toch weer. Op de hoek van de straat, ik draai in een auto naar links en door het raampje doen we een “boks”. “Heee gozer!” We zien elkaar toch weer? En dat was toen. 15 jaar zijn maar een handje dag-zeggen ver weg, als je je ogen dicht doet. Het is eigenlijk helemaal niks.

Lieve Mike, hierbij een foto van een feestje! Jij danst, omringd door meisjes, natuurlijk, natuurlijk.

Wil je alsjeblieft ervoor zorgen dat die klootzakjes daarboven dansen? Ik wil dansen, op Nirvana, natuurlijk, op Nirvana, én op Jim Morrison en ik ga Beaudelaire voordragen (die gasten vallen samen), maar als ze daarboven speakers hebben, zodat je een middenrif kunt laten bonken: “Eins, zwei, Polizei” – de sirene gaat in Ladada en we hebben allemaal een extra ronde.

Mike, ik zie je zo, een leven is maar klein, als je je ogen dicht doet. Wij zijn maar één handje van jou vandaan, dat weet ik zeker.

Wees omarmd, gutenacht! BOKS!
En vooral, bis Morgen!  🙂
Emile

DE ZELFMOORDENAAR

De zelfmoordenaar – Piet Paaltjens – François Haverschmidt

Zodat ook ú mijn stem  kunt horen,
Zodat u weet dat ik mij niet verhang,
Zodat u weet, dat ik niet bid
Dat een bidder voor mij bidt,
Al duurt het wachten lang.

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=3igUwdXNUKc

Damit auch Sie meine Stimme hören,
Damit Sie wissen, er erhängt sich nicht,
Bitten und Beten um Fürbitten sei ihm fremd,
Wenn auch auf Erfüllung keine Sicht.

YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=3igUwdXNUKc

Piet Paaltjens

 

 

 

 

 

 

 

François Haverschmidt alias Piet Paaltjens