“Deutsche Hörer!” – Thomas Manns radiotoespraken

Thomas Manns eerste radiotoespraak tijdens WOII vertaald in het Nederlands. “Duitse luisteraars!”

Tot mijn teleurstelling is het feit dat Thomas Mann in de Tweede Wereldoorlog radiotoespraken  tegen het nazidom heeft gehouden nauwelijks bekend in Nederland. Vergelijk de toespraken op Radio Oranje. Ook tot mijn teleurstelling houden klaarblijkelijk auteursrechten het nu nóg tegen om deze tekstmonumenten, na zovele jaren, publiek te maken via het wereldwijde web: het cultuurhistorische belang van deze toespraken is te groot om nog langer vast te houden aan de beperkingen van het auteursrecht. Cynisch zou ik eraan toe kunnen voegen dat “we toch al geen Duits meer konden verstaan”, maar dat doe ik niet.

Thomas MannHieronder volgt mijn vertaling van Manns eerste toespraak op 1 november 1941 die hij hield voor de BBC. Het is een tamelijk letterlijke vertaling. Weliswaar is het niet zo lastig om er een moderne variant van te maken, die meer recht doet aan het huidige Nederlandse idioom, maar meelezen lukt dan niet meer, en bovendien vat ik dan niet de tijd en de toon, die inderdaad voor sommigen hoogdravend mag heten. Hoe dan ook: een monument in geluid en tekst. Een oordeel over de inhoud van de toespraak laat ik over aan uw “individueel geweten”. Men hoort brisante zaken!

Klik hier en lees dan hieronder mee: http://www.youtube.com/watch?v=25YNc5bX7xY
—

Duitse luisteraars!

Hem die thans weer tot u spreekt, was het vergund om in het verloop van zijn nu al lange leven, voor het geestelijk aanzien van Duitsland een en ander te doen. Ik ben er dankbaar voor, maar ik mag mij er niet op laten voorstaan, want het was mijn lotsbeschikking en niet mijn bedoeling. Geen kunstenaar doet zijn werk om de roem van zijn land en volk te vermeerderen: de bron der productiviteit is het individuele geweten.

Gij Duitsers moogt mij heden niet dankbaar zijn voor mijn werk, ook niet indien gij dat zoudt willen, wellicht juist daarom. Het is niet om uwentwille, doch uit eigen innerlijke noodzaak verricht. Maar iets is er, wat werkelijk om uwentwille is gedaan; iets wat voortgekomen is uit een sociaal geweten en niet uit een privaat geweten. En dagelijks ben ik er zekerder van dat de tijd komen zal, en zij komt naderbij, dat gij mij erom danken zult, en, ge zult het mij hoger aanrekenen dan mijn geschiedkundige werken.

Namelijk, dat ik jullie gewaarschuwd heb, toen het nog niet te laat was, voor de verderfelijke krachten onder wier juk gij nu hulpeloos ingespannen zijt; krachten waardoor gij nu door duizenden ondaden in een onvoorstelbaar verderf gestort wordt. Ik kende hen! Ik wist dat er niets anders dan catastrofe en ellende voor Duitsland en voor Europa uit hun zo onuitsprekelijk verdorven wezen kon voortkomen, terwijl het merendeel van u, heden waarschijnlijk in voor uzelf onbegrijpelijke verblinding, hen voor brengers van orde, schoonheid en nationale waardigheid aanzag.

Denkt men niet aan Goethes spreuk over de vrome Duitse natie, die zich pas echt verheven voelt, als al haar waardigheid te grabbel is gegooid?

Ik kende ook u, goede Duitsers, en uw feilbaarheid in het begrijpen van uw ware eer en waardigheid. En het feit dat ik destijds in oktober 1930, mijn eigen natuur overwinnend, de politieke arena betrad, en in de Berliner Beethovensaal, toen al onder brullende onderbrekingen van naziknapen, de redevoering hield  – een enkeling onder u staat het wellicht nog voor de geest – die ik “Appèl aan het verstand” noemde, ofschoon zij toch een appèl aan al het betere Duitserschap was, is voor mijn geweten een grotere geruststelling, al mag het allemaal tevergeefs zijn geweest, dan alles wat ik met groter succes als kunstenaar heb kunnen volbrengen.

Ik heb met mijn zwakke krachten gepoogd te verhinderen wat wel móest komen, en wat er nu sedert jaren is, namelijk de oorlog, waarvan uw leugenachtige leiders de schuld geven aan Joden, Britten, vrijmetselaars en, God weet wie nog meer, terwijl hij toch voor iedereen die wilde en kon zien met gewisheid afzienbaar was, van dát ogenblik af, dat zíj aan de macht kwamen en begonnen aan de bouw van de machinerie door welke zij menen vrijheid en recht te kunnen platwalsen.

En wat voor een oorlog is het, in welks boeien gij u verstrikt! Een onafzienbaar, verwoestend, hopeloos avontuur, een moeras vol bloed en misdaad, waarin Duitsland dreigt af te zinken. Hoe ziet het er bij u uit? Denkt gij, wij buiten weten het niet zo goed als gijzelf? Verwildering en ellende grijpen om zich heen; zonder scrupules wordt uw mannelijke jeugd tot en met de achttien-, de zestienjarigen, de moloch des oorlogs geofferd ten getale van honderdduizenden, miljoenen. Er is geen huis meer in Duitsland dat geen echtgenoot, zoon of broer heeft te betreuren.

Het verval zet in.

In Rusland ontbreekt het aan artsen, verplegend personeel, verpleegmiddelen. In Duitse veldhospitalen en ziekenhuizen worden de zwaargewonden, samen met bejaarden, gebrekkigen, geestelijk gestoorden, door gifgas ter dood gebracht. Tweeduizend van drieduizend, zo vertelde een Duitse arts, in slechts één inrichting. Dat doet datzelfde regime dat begint te brullen als Roosevelt het ervan beschuldigt dat het christendom en alle religie wil vernietigen. En dat voorwendt een kruistocht voor christelijke beschaafdheid tegen het bolsjewisme te voeren. Tegen het bolsjewisme, waarop het zelf een smerigere on-variant zonder weerga is.

Het christelijke antwoordspel op de massale vergassingen zijn de zogenaamde paringsdagen, waarop soldaten op verlof met meisjes van de Duitse Bond[1] voor dierlijke huwelijken-voor-een-paar-uur tezamen worden gecommandeerd om zo staatsbastaarden voor de volgende oorlog te fokken. Kan een volk, een jeugd, dieper zinken? Gruwel en lastering van menselijkheid, waarheen gij ook kijkt.

Ooit verzamelde een herder[2] liefdevol de volksliedjes der landsdelen. Dat was Duitsland in zijn goedheid en grootsheid. Heden weet het niets anders dan volkeren- en massamoord, stompzinnige vernietiging. Driehonderdduizend Serviërs zijn, niet ín de oorlog, maar ná de oorlog met dit land, door u Duitsers op het bevel der vermaledijde schoften die u regeren, omgebracht.

Het onzegbare wat er in Rusland, wat er met de Polen en Joden gebeurd is én gebeurt, weet gij. Maar gij wilt het liever niet weten, op grond van terechte afschuw voor de eveneens onzegbare, reusachtig groeiende haat, die op een dag, als uw volks- en machinekrachten verlamd zijn, boven uw hoofd uitbarsten zal. Ja, vrees en afgrijzen voor deze dag is op zijn plaats.

En uw leiders buiten het uit! Zij die u tot deze schanddaden hebben verleid, zeggen u, nu hebt gij ze begaan, nu zijt gij onlosmakelijk aan ons gekluisterd, nu zult gij doorgaan tot aan het bittere einde, anders zal de hel over u komen.

De hel, Duitsers, kwam over u, toen deze leiders over u kwamen. Naar de hel met hén en al hun kleingeestige trawanten! Dan kan er altijd nog redding, dan kan er vrijheid en vrede voor u zijn.


[1] „meisjes van de Duitse Bond“: Bund deutscher Mädel, BdM-Mädel
[2] Jacob Grimm

Duits en Timmermans en grammaticaonderwijs

Zonder onderwijs in traditionele zinsontleding op de basisschool gaat het steeds meer bergafwaarts met de vreemdetalenkennis in Nederland. Timmermans opmerking dat Nederlanders beter Duits moeten leren, is dan ook, zonder herstel van dit onderwijs, weinig waard.

Op de geestige column van dhr. Bart Braun naar aanleiding van Timmermans’ opmerking dat “Nederlanders beter Duits moeten leren spreken”, heb ik een open brief geschreven aan Braun en Timmermans. Het punt is: begin bij de basis, begin bij herstel van het traditionele grammaticaonderwijs op de basisschool. Zonder die kennis lukt het niet. Zonder die kennis zal de vreemdetalenkennis in Nederland alleen maar achteruitgaan, nog afgezien van de kennis van de moerstaal.

—

Sehr geehrter Herr Braun, lieber Kommilitone!

Danke für Ihre auf „Steinkohledeutsch“ geschriebene Kolumne, deren Wortlaut mir manches Lächeln entlockt hat. Zwischen den Zeilen las ich…  Maar wacht, laat ik verder gaan in het Nederlands, anders leest geen kip dit, zeker niet de eerstejaarskuikentjes op de rechtenfaculteit die nog steeds zwoegen op de regels van het kofschip, terwijl zij nota bene verondersteld worden wetenschappelijke vertogen in Oxford English te kunnen houden, quod non.

Welnu! Tussen de regels door waren er in uw balorige kattebel enige scherpe kanttekeningen te vinden bij de uitlating van de minister van BZ dat Nederlanders beter Duits moeten leren. Daar ik behoor tot de inmiddels zeldzaam geworden germanisten aan de Leidse universiteit, leek mij Timmermans opmerking op het eerste gezicht uit het hart gegrepen, maar toen ik deze nader overwoog, wat na liet garen in mijn hersenpan, kreeg zij allengs de geur van een scheet voor de kiezersbühne, al is zij een sympathieke.

Tenzij zijne excellentie de collega-minister van onderwijs overtuigt en er een scherpere, soberdere, strakkere visie op talenonderwijs komt, zal het alleen maar meer gaan stinken. Laat ik voor de verandering eens niet klagen over het hemelschreeuwende geldgebrek, maar laat ik de wortel van het probleem benoemen, waarvan de oplossing nu eens niet op ’s Rijks begroting drukt.

Het probleem is dat er nauwelijks nog degelijk klassiek onderwijs in traditionele grammatica gegeven wordt. Tegenwoordig betekent zinsontleding in het basisonderwijs “gezellig kleuren”: we zetten een kleurtje onder een bepaald zinsdeel, want o nee, stel je voor dat je een tienjarige begrippen als “onderwerp” of “lijdend voorwerp” moet leren. Dat kan niet hoor. Deze gezellige vrijblijvendheid kabbelt voort in het vervolgonderwijs: voor de gemiddelde tweedeklasser op het VWO bestaat tegenwoordig een zin uit een onderwerp, het gezegde en “de rest”. Wat die rest dan is? Tsja… Geen wonder dat het niets meer wordt met Duits, Frans, Latijn, laat staan Chinees.

Liebe Exzellenz Timmermans, vandaag pleit ik niet voor meer geld, maar voor programmatische versobering, “verstrenging”, als u wilt. Weet u wat nu er nu staat in de Kerndoelen voor het Primair Onderwijs? –U hebt ze vast nog wel even doorgenomen voordat u uw uitlating deed – In dit ambtenarenproduct staat: Traditioneel ging het vooral om grammatica, maar tegenwoordig gaat het vooral om inzicht in eigen en andermans  taalgebruikstrategieën, zodat een kind leert deze steeds bewuster en doelgerichter in te zetten.

Wat is dit voor hokuspokus-managersjargon? Dit veronderstelt dat een twaalfjarige op hoog abstract niveau reflecteert, ja hermeneutisch briljant is. Wie brouwt toch dit soort onwelriekende onzin om ieder in kiezersland te apaiseren? Ik wil dat u klip en klaar opneemt dat leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs moeten kunnen ontleden! Ik wil verdorie geen gekleur meer! Ik wil maatstrepen in een zin met daaronder benamingen als onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp, voorzetselvoorwerp, enz. is. De hermeneutiek kan wachten, als je twaalf bent.

Als u mijn simpel advies overneemt, zult u zien dat op den duur het leren van vreemde talen een stuk gemakkelijker gaat en er bijgevolg weer meer mensen beter Duits, Frans, Spaans, enz. spreken, althans begrijpen. Tot dat moment van klassieke versobering hebt u voor mij een wind gelaten.

Met Herr Braun zet ik alvast het raam open, met uw welnemen.
—

Deze brief is in Mare, het Leids Universitair Weekblad (36ste jaargang, nr. 10) gepubliceerd:  http://www.mareonline.nl/archive/2012/11/21/brieven-duits#.UK4Ei8wt4mw.facebook

Wie is die rode smiling lady?

The Golden Earring, When the lady smiles: of de non of de rode dame verkracht wordt, hangt af van het gevolgde vertelperspectief: het auctoriale of personale.

Twee lezers van mijn vorig postje (een dame en een heer, onafhankelijk van elkaar) over de clip bij “When the lady smiles” lazen scherp en schreven mij, dat ik ernaast zat en dat er wél degelijk een non in de metro verkracht wordt. Er is in de clip namelijk sprake van een gedaanteverandering! De eerste, de oorspronkelijke (misschien wel “de echte”?!) non verandert in een roodharige, terugzoenende non. Op grond van deze gedaantewisseling zou dús non nr. 1 verkracht zijn. Die interpretatie ligt voor de hand, maar ik denk nog steeds dat na visuele en textuele analyse van “When the Lady smiles” én na invulling van het juridische begrip verkrachting, i.e. binnendringen van het lichaam eens anderen tegen diens wil, de vraag blijft, óf er een non verkracht wordt.

Toen ik twee jaar terug zo vluchtig, ja toe- gegeven! slordig, schreef, “Wat ziet de kijker?”, ging ik uit van de personale vertel- instantie van de hoofdfiguur op dat moment: de kijker ziét de, althans “een”, non in rode bh terugzoenen.

Alleen, deze terugzoenende non bestaat alleen in het vertelperspectief van de obsessief verliefde, de man die later “behandeld” wordt. In diens personale vertelperspectief zoent non nr. 2 alias “De Rode Dame” heftig terug.

Máár, en dat had ik onder het vloerkleedje geschoven, de kijker kan uit het auctoriale perspectief afleiden, dat buiten het enge blikveld van de zoenende psychopaat non nr. 1. iets sociaal onfraais overkomt. Dat leidt de kijker af uit de reacties van de metro-reizigers: de zoener wordt weggetrokken en krijgt het kaartje van een psychiater.

Maar wát er nou precies “in het echt” buiten het psychopatenblikveld gebeurt, blijft verborgen, omdat de auctoriale vertellijn op dat moment afbreekt. Daarom is die clip ook zo goed! Je wordt gedwongen om méé te gaan in de weergave van de psychopaat: ik zoen met De Rode Dame! Maar is dat zo?

Als non nr. 2 alias De Rode Dame al “echt” bestaat, betekent het dan ook dat non nr. 1 tegen haar wil in is gezoend en daarmee “verkracht”? Dat is en blijft de vraag: van psychopaten valt doorgaans weinig objectiviteit in waarneming of weergave te verwachten.

Ik kan niet anders dan uitgaan van gekleurde belevenissen: ik weet niet wat er “echt” gebeurt met non nr. 1: misschien rukte de psychopaat alleen maar aan het habijt, trachtte hij haar te zoenen, gilde non nr. 1 en reageerde het publiek dáárop al verontwaardigd. Ik weet het niet: de muziekvideo vertelt daar niets over. Dit geldt mutatis mutandis voor de secretaresse: wij weten niet, wát er echt in de lift gebeurt. (Zag u trouwens Huub Stapel uit “De Lift” voorbijkomen?) Wij zien wel dat zij door elkaar geschud wordt, dát zou met enige zin voor juridische exegese te kwalificeren zijn voor aanranding; voor “verkrachting” volstaat het zeker niet. Is de secretaresse tegen haar wil in gezoend? Is de daad volvoerd? Ik weet het niet. Het blijft de vraag: de muziekvideo vertelt daar niets over.

Waarom wordt de psychopaat, de potloodventer-in-regenjas, veroordeeld tot dwangverpleging en niét tot de gevangenis? Dat is simpel: hij wil geen onwillige nonnen of secretaressen zoenen, hij wil “De Rode Dame” zoenen! Dat is een groot verschil met verkrachters: de opzet om de non of de secretaresse schade toe te brengen ontbreekt, sterker nóg, hij ziét alleen “De Rode Dame”, die hij wil zoenen. Zijn vermogen om te zien is letterlijk gestoord: hij ziet, wat hij wenst te zien.

De psychopaat is daarmee juridisch gezien niet-toerekeningsvatbaar; hij wordt tot dwangverpleging veroordeeld. Is daarmee ook de daad “aanranding” tenminste niet voltrokken? Ja, dat het lijkt zo te zijn, maar de kijker weet dat niet precies: hij hoort de rechterlijke uitspraak niet. En tussen grote haken, die rechters worden ook niet al te fris afgeschilderd! In elk geval, de patiënt wordt van alle rechtsvervolging ontslagen en overgeleverd aan een sjofele professor neurologie, typje blij-dat-ik-snij, die een fraai anatomisch theater bouwt.

Neem ik het hier op voor psychopatische potloodventers met een voorkeur voor madonna-gelijke Rode Dames? Neen. Ik wantrouw alleen hun weergave van de werkelijkheid en kan als kijker van het filmpje alleen afgaan op wat ik te horen en te zien krijg uit het auctoriale standpunt, wat nu eenmaal momenten oningevuld en daarmee vragen open laat.

De tekst van “When the Lady smiles” brengt ons niet heel veel verder met de verkrachtings- vraag. Wel is duidelijk dat de man tenminste in zijn eigen hoofd opgesloten zit: “When the walls no longer shout back at me.”

Is De Rode Dame een slachtoffer? Nou, in de tekst leidt zij ook: “When the lady smiles / She holds me in her hand / As a matter of fact, she could always let me down.“  Zij immers “is leading the way.”Alleen, en dit is het probleem, de tekst is louter geschreven uit het perspectief van de obsessief verliefde.

Als ik alleen luister naar de tekst, kan de hoofdfiguur wel een student zijn, die vol hoop en jenever tegen beter weten in thuiskomt, na een avondje met zijn rode dame. De tekst heeft het niet over nonnen of secretaressen; er is maar één geadoreerde. In de tekst sec komt de verliefde naar voren als iemand die wij allemaal wel eens tegenkomen: een hopeloos verliefde snoeshaan. En vrienden hadden hem (Is hij een hij? Ook dat blijkt niet uit de tekst) nog zo gezegd dat ze “a fallen angel” was.

Ach ja, het is erg. Jongens en mannen kunnen heel erg verliefd worden. Dat weet ik trouwens zeker, en dat buitentekstueel.
—
Over de kwestie zie men ook het Volkskrantartikel “Clinton graaft eigen graf”: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/article/detail/884074/2008/01/29/Clinton-graaft-eigen-graf-met-lied-Golden-Earring.dhtml

The Golden Earring’s Smiling Lady

Was u de rode bh ontgaan? When the lady smiles, geen verkrachting, Twitter versus e-mail, Hillary Clinton, NRC, Metro, schutblaadjes, eros versus thanatos.

Eind januari 2008 berichtten verschillende media, naar aanleiding van een onoplettend mailtje van NRC-journalist Jeroen van Bergeijk, dat Hillary Clinton in haar campagne het lied “When the Lady smiles” van de Golden Earring gebruikt had, klaarblijkelijk niet wetende dat “hierin een non verkracht wordt”, zo het NRC-bericht.

Zulk nieuws reist nu nooit meer per e-mail, electronische post, maar per tweet, “Twitter-bericht”; het is opmerkelijk hoe groot de slagkracht van een gerucht in een bepaald medium verandert, in drie jaar tijds.

 

 

 

 

 

 

 

Destijds heb ik met het volgende open briefje aan de opsteller van het berichtje, dhr. Van Bergeijk, betoogd dat de smiling lady niet verkracht wordt. Anno 2011 gaat het om de verbazing over de vluchtigheid van nieuwsgaring uit een bepaalde bron (hier: één e-mail); een verbazing die evenredig groeit met de hype-gevoeligheid van geachte journalistieke kanalen.

En ja, bijgevolg moet Hillary Clintons campagneleiding een groter artistiek invoelingsvermogen gehad hebben dan schutblaadjes als Dag of Metro, de papieren wegwerpkrantjes die toentertijd opgeld deden, maar dat wisten wij. Ik post dit bericht opnieuw, niet alleen vanwege bovenstaande observaties, niet alleen omdat mijn brief toen heel “kek” was, maar ook omdat “When the Lady smiles” een supernummer is en onaangestast blijft staan waarvoor het staat: aantrekkingskracht – Mag ik, zal ik?
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Geachte Heer van Bergeijk,

U schrijft op de voorkant van de NRC Handelsblad – site dat u verbaasd was dat uw mailtje over de Golden Earring-clip, “When the Lady smiles”, na 24 uur voorpaginanieuws was. Dat ben ik eens met u, temeer daar klaarblijkelijk andere bloggers en media klakkeloos overnemen dat de non in de prachtige clip van Dick Maas verkracht wordt. Dát blijft de vraag.

Wat ziet de kijker? Het nonnenhabijt wordt bruusk opengetrokken, een wellustige rode bh komt te voorschijn, de non en de belager zakken zoenend in katzwijm neer.

 Is dit een verkrachting? Even later wordt de belager in een rechtzaak beschuldigd én veroordeeld omdat de dames beschuldigend met de vinger wijzen, waarna de veroordeelde dankzij een lobotomie “genezen” wordt: de mannelijke lust wordt hem letterlijk uitgesneden en voor de honden geworpen.

Daarmee is het verhaal van dit lied en het bijbehorende filmpje een moderne variant van antieke Daphne-mythe: de boterverliefde Apollo jaagt de arme Daphne achterna, die door de kuren van Eros ongevoelig voor Apollo’s avances is gemaakt. –Maar zou ze anders ook zo ongevoelig zijn geweest?– Daphne verandert in een laurierboom zoals de roodharige, vurig zoenende dame uit de clip verandert in een kuis verzorgende verpleegster, die de ontmande, van vuige lusten bevrijde patiënt rondrijdt.

De mythe en het lied gaan over eros en thanatos, over geilheid en zedelijkheid: je weet immers nooit wat er ónder het habijt schuilt.

Was u, en velen met u, de rode bh ontgaan?

Met vriendelijke groet,
Emile van Brakel

———
LINK naar NRC-artikel:
http://vorige.nrc.nl/article1881066.ece

 

Voor de zondeval – Wagenaar en Sesamstraat

Wagenaar en jeugdherinnering; Sesamstraat.

Sesamstraat – een begrip uit beton; iedereen herinnert het zich. Dácht u! Néén!, zo leert mijn wijlen rector magnificus, de heer prof. dr. Willem Wagenaar: herinneringen kunnen met terugwerkende kracht geïmplanteerd worden. Men méént zich iets te herinneren, en dat is ook zo met Sesamstraat. Nu is mijn ervaring met het door Wagenaar gestelde volledig gelijkluidend en derhalve wantrouw ik mijzelf, zoals u ook zou moeten doen. Ik bedoel, niet alleen mij, al raad ik u het aan, maar vooral ook uzelf en dát raad ik nog meer aan, vooral, als het gaat om canonieke programma’s als “Sesamstraat”.
En nu wil ik uitnodigen voor een spelletje! Vreest u niet: het is tamelijk simpel en er valt gelukkig niets mee te winnen, behalve dan scherpte des geestes.

Sesamstraat is van 1976 tot nu toe doorlopend uitgezonden. Er is zodoende  een dag geweest dat u in uw kinderstoel zat met uw brinta en dacht, heeeee, dít is Sesamstraat, dit is mooi, dit is mijn programma! Juist, naar die dag willen wij terug, de dag vóór de zondeval.

Het spelletje gaat als volgt: bekijk de Sesamstraat-intro’s en roep alleen hoera, als u zéker weet dat u het zich herinnert. Klikt u hier op uw uw Sesamstraat-intro! (http://www.youtube.com/watch?v=Kje-Aj6YPLs)

Maar, en nu komt het grote maar: niet vals spelen! Tussen (leren) kennen, weten, zich herinneren en opnieuw leren kennen is verschil. Dat lijkt duidelijk, maar dat is het niet. Kijk, het is  eenvoudig om mij ergens voor de televisie neer te zetten, ergens begin jaren tachtig, ergens tussen de herhalingen van Floris. Dan zou ik deze mij herinneren en voor ik het zelf doorheb, meen ik mij de eerste uitzendingen te herinneren. Alleen dat zou wel héél knap zijn: de eerste uitzendingen van Floris hadden plaats voor mijn conceptie.

En daarom moet u zichzelf wantrouwen, want ook in u schuilt dit soort gemak waarmee schrijvers de wereld herscheppen. Bij dit spelletje moet er een innerlijk belletje afgaan: nee, dat herinner ik mij niet! Alles wat u zich meent ter herinneren, of later hebt gezien, telt bruut niet mee.

Hoe werkt het bij mij in het geval van Sesamstraat? Wel, bij Pino in het nest uit 1977-78 krijg ik warme gevoelens. Die gast in dat nest ken ik toch? Maar weet ik zeker? Nee, ik zou het voor de rechter niet kunnen herhalen. Na enige aarzelende, maar steeds sterker wordende herinneringen, weet ik het zeker: ik word inténs, maar dan ook intens blij en gelukkig en ook heel erg springerig bij het geluid van de rennende kinderen uit 1982. Ik bén een van die kinderen uit 1982.

Hoe kan ik het omschrijven? Ik ben thuis: appeltaart, oneindige tuin, zon, zoen van moeder, ik krijg grote tanden, de Koningin is lief, Sinterklaas ook, ik moet nog blokfluit spelen; alles klopt. Een wereld vóór de zondeval.

Speelt u het spelletje en wellicht denkt u, net als ik, wat doet die rotmuis hier? Die muis heet “Ieniemienie” en zij heeft de schuld aan alles.

Zij was er niet in mijn vroegste indruk -of was het een herinnering?- en niet alleen daarom moet ze weg, haar naam is even bespottelijk als haar pieplach kranjorum is. Zij is erin geslopen; het is der muizen aard om een paradijs heimelijk en gemelijk piepend te verstoren. In deze lijn behoeft het geen betoog dat meneer Aart terug moet: hij was er altijd.

Mijn verontschuldigingen aan hen die door de datum hunner conceptie of door hun destijdse plaatsing in de wereldorde, zoals geografische locatie, niet in staat zijn geweest om Sesamstraat te bekijken of al bezig waren met ander canonieks, de werken van Tolstoj bijvoorbeeld. Dat begrijp ik. Ikzelf voel een diepe genegenheid, met terugwerkende kracht voor de Afrikaanse tegenhanger van Sesamstraat, namelijk “Haas Das se Nuuskas”. Ek was sommer daar! Jy verstaan vir my?

Er zijn luttele bewegingen nodig om het mij te herinneren.

P.S. Het mooiste is wel dat Sesamstraße het begin aller dingen is, als het om Duits gaat, maar dat wist u al, toch?

Peter Sloterdijk: de co-immune mens!

Recensie van Peter Sloterdijks Je_moet_je_leven_veranderen.

Peter Sloterdijk, Karlsruhe, 2009
Auteur: Rainer Lück http://1RL.de
Bron: Creative Commons, Wikipedia

Voor 8weekly heb ik met plezier Sloterdijks nieuwste boek besproken. Hieronder staat de tekst, waarin ik Sloterdijks toekomstvisioen van “de co-immune mens” samenvat.

Zo’n 280 kaaskoppen luisterden op vrijdag de dertiende naar de wereldberoemde Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Eigenlijk hadden 20 miljoen Nederlandssprekenden Sloterdijks boodschap moeten horen: de co-immune mens sta op!

Een academisch filosofische lezing ter gelegenheid van het uitkomen van Je moet je leven veranderen, de voortreffelijke Nederlandse vertaling van Du musst dein Leben ändern, zal in het algemeen weinig mensen trekken. Als bovendien de voertaal Duits is, wordt het publiek nog kleiner. Bijgevolg toog er een honderdtal mensen vrijdag 13 mei 2011 naar Felix Meritis te Amsterdam voor Sloterdijks lezing.

Filosofische rijkdom voor weinigen
Een honderdtal kritisch luisterende mensen, wier gemiddelde leeftijd rond de 45 ligt, mag gerust een groot aantal voor dit land worden genoemd: nog afgezien van het onderwerp, voor velen is academisch Duits eenvoudigweg te lastig (geworden). Dat is jammer, want Sloterdijk is een buitengewoon onderhoudend en charmant spreker die de juiste dosering tussen ernst en ironie treft. De vragensteller, prof. dr. René ten Bos, hoefde maar weinig gedachten op te werpen om uitgebreide en doorwrochte antwoorden te krijgen.

Sloterdijk, literator maar ook televisiepresentator, associeert met gemak een kwartier lang op een vraag, waarbij hij peurt uit zijn schijnbaar onuitputtelijke kennis en ervaring. Literaire, filosofische, kunsthistorische, zelfs natuurkundige themagebieden bewandelt hij, waarbij hij uiteindelijk met een glimlach op het oorspronkelijke uitgangspunt terugkeert.

Met een glimlach
Zoals Sloterdijk spreekt, zo schrijft hij ook: ‘mit einem kleinen Lächeln’, met een genoegzaam, provocant en charmant glimlachje. Sloterdijks boek begint met het blootleggen van de processen die schuilgaan achter geïnstitutionaliseerde godsdienst en religiositeit in het algemeen. Dit doet hij niet volgens de bekende, tot vervelens toe herhaalde standpunten (darwinistische, creationistische, enzovoort), hij zet trefzeker de bijl aan de wortel van het discours:

We moeten opboksen tegen een van de massiefste pseudo-evidenties van de recente geestesgeschiedenis, namelijk tegen het pas sinds twee- of driehonderd jaar in Europa heersende geloof in het bestaan van ‘religies’, sterker, tegen het ongefundeerde geloof in het bestaan van het geloof. Het geloof in de feitelijkheid van ‘religie’ is het element dat gelovigen en niet-gelovigen nog steeds met elkaar verbindt.

De doorwrochte en uitgebreide argumentatie van Sloterdijk grovelijk tekortdoend, gaat het erom dat niet slechts een bepaalde godsdienstbeleving cultureel opgelegd wordt (ook het begrip ‘cultuur’ is al een groot misverstand), maar dat Sloterdijk ‘het talent voor religiositeit’ beziet als een psychoneurotische neiging: een ‘oefening’ in Sloterdijks idioom, een herhaling ter verbetering, zoals het leven, deze ‘orgie van repetiviteit’, er vele kent.

Leven: orgastisch oefenen
De ‘religiositeitsoefening’, de dagelijkse oefening in godsdienst, legt hij uit aan de hand van het gedicht ‘Archaïsche torso van Apollo’ van Rilke. Dit gedicht beschrijft de gewaarwording van beschouwing: de aanblik van een marmeren mannelijke torso is dermate indringend dat niet langer alleen de toeschouwer de torso beziet, de torso kijkt terug! Sterker, hij ziet in zijn volmaaktheid dwars door de toeschouwer heen. Rilkes innerlijke stem besluit het gedicht haast beduusd: ‘Zo doorleven kun je niet’ – en passant de bron van Sloterdijks boek – pure intertekstualiteit.

Sloterdijks bezwaar tegen Rilkes observatie is dat subject en object worden omgedraaid. Een stenen torso kan immers niet terugkijken in de natuurkundige zin des woords. Neemt iemand, op het moment dat hij het gedicht leest en zich in Rilke verplaatst, aan dat het marmeren beeld ‘echt’ terugkijkt, wat natuurkundig bezien een onmogelijkheid is, dan verricht hij een ‘microreligieuze handeling’, aldus Sloterdijk.

Hier overtuigt Sloterdijks argumentatie en slaat hij de spijker op de kop, zo hard dat deze door de plank heengejaagd wordt. Jazeker, poëzie, religie en exegese werken met analogieën, maar het doorzien van het analogisch principe is nog geen anti-godsbewijs, zou je Sloterdijk willen toevoegen. Werkt immers de natuurkunde ook niet met analogieën?

De co-immune mens
Hier staat tegenover dat het boek niet een groot pleidooi tegen de godsdienst is; eerder een pleidooi voor een zelfkritische omgang daarmee. Verdedigbaar is zelfs dat Sloterdijk oproept tot een nieuw besef, dat in zijn volstrekte nuchterheid door geen enkele godloochenaar valt te ontkennen. De mensheid zal in zichzelf stikken op deze aarde als haar bronnen uitgeput zijn (bevolkingsoverschot, milieurampen) en daarom pleit Sloterdijk voor de ‘co-immune mens’, de samenwerkende mens, die de grens tussen zichzelf en de ander in beschaving overwonnen heeft. Mijn belang is zijn belang, mijn nood is zijn nood.

Want, aldus Sloterdijk op de lezing: ‘Der Mensch ist eine schutzbedürftige Einheit’ – De mens, een voorwerp dat het beschermen waard is. Het lijkt verdorie wel een christelijke, herstel, humane idee.

Waarom de lezing niet met de ‘Ode an die Freude’ uit Beethovens Negende werd besloten, is een raadsel: ‘Alle Menschen werden Brüder!’ Het had gekund en het had gepast: Sloterdijks geestestuin is een rijk en wijd en volmaakt cultuurlandschap, waar letzten Endes ieder ieders broeders hoeder is, of noodgedwongen moet zijn. — Maar wat nou als er iemand Kain heet?

Knijpkat

In 1942 trouwen mijn grootouders; de knijpkat gemaakt in Kamp Vught

In 1942 trouwden mijn grootouders. Door stom toeval marcheerde er, juist op het moment dat zij uit het stadhuis kwamen, een troep Duitse soldaten voorbij, luid zingend. Er was geen camera om iets van dat verbluffende voorval vast te leggen. Niemand had technisch slimme talismannetjes waarmee je overal en altijd met iedereen in contact staat.

Tiel, 1942

2010: mijn grootvader overlijdt en ik krijg zijn levenslange talisman: een knijpkat, een zaklamp zonder batterijen, “mocht het licht uitvallen”. Ik zoek op internet naar gegevens over de zaklamp, vul het typenummer in, en lees over het Philipskommando in kamp Vught. In betrouwbare stroomvoorziening kon niet meer voorzien worden; in regelmatige aanvoer van tewerkgestelden wel.

De herinneringen van mijn grootmoeder aan haar huwelijksdag, “Ze zongen luidkeels Gerda, Ursula, Marie, Marie!”, treffen ook online meteen raak: een Youtube-gebruiker biedt unverfroren de mars aan, waarop mijn jonge grootouders getrakteerd werden. 70 jaren vallen met een knopdruk weg.

Voorzichtig heb ik de talisman van mijn grootvader gerestaureerd, niet omdat het licht uitvalt –dat gebeurt toch– het is eerder omdat niet meer te achterhalen is, wie hem in elkaar gezet heeft, in 1942.

Nederlandse geschiedenis / Deutsche Geschichte

Karel de Grote / Karl der GroßeNooit eerder heb ik op de televisie een betere, bondigere nationale geschiedenis gezien, die kiertjes openlaat naar diepgang en verbeelding. Van harte wil ik aanbevelen: “Die Deutschen” van het ZDF.  Te verdedigen valt dat ook, tót het einde van de Tachtigjarige Oorlog, dit uw geschiendis is. Het volledige adres: http://www.diedeutschen.zdf.de/ Als u op die bladzijde onderaan klikt, zoeft u zo 2000 jaar terug. Geniet!

——–

Nie bevor  gab’s im Fernsehen eine einleuchterende Serie über “die Deutschen” als “Die Deutschen” des ZDF. Sie erzählt auch, sei es teilweise, die Gesichte der Niederlande. Genießt sie!