Schmidts Visionen, Ruttes visie

Schmidts Visionen waren niet Ruttes visie.

Oud-bondskanselier Helmut Schmidt, een breed ontwikkelde mens met hart, mond en intellect, staatsman en liefhebbende echtgenoot, kortom een “mensch” in elk opzicht, is op 10 november jongstleden overleden. Enkele uren na zijn dood meldt de NOS dat Schmidt eens verklaarde dat “mensen met een visie naar de dokter moeten” – blijkbaar de vertaling van de aan Schmidt toegeschreven uitlating “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen.”

Hee, dat ken ik! Nederland vernam in 2013 van zijn eerste minister soortgelijks, toen deze op de H.J. Schoo-lezing verklaarde dat “visie als de olifant is die het uitzicht belemmert”. De onvermijdelijke verbinding van beide uitspraken die de lezer in de Nederlandse context maakt, werpt de vraag op: waren Schmidts “Visionen” hetzelfde als de door Rutte ongewenste “visie”? Het antwoord is een duidelijk neen! Wat haalt de NOS zich toch allemaal in het kopje om zulke anachronistische vergelijkingen op te schrijven? Waarom?

Wat zei de heer Schmidt dan wél precies en hoe is die uitspraak te begrijpen? Dat heeft ook het Duitse St.-Ursula-Gymnasium in Attendorn zich in 2009 afgevraagd. Het schreef de heer Schmidt een brief, die iedereen kan aanklikken in het wereldwijde web, en de heer Schmidt antwoordde bondig.

De school vraagt Schmidt of het klopt dat hij “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” heeft gezegd. Kunt u zich dat nog herinneren, geachte heer Schmidt? In welke context? En is het nog steeds van toepassing op politici? Het korte en duidelijke Schmidtiaanse antwoord: Nee, ik kan het mij niet meer goed herinneren; het sloeg in elk geval niet op Willy Brandt. Het citaat komt waarschijnlijk wel van mij, maar ik weet niet meer in welke context ik mij over “Visionen” heb uitgelaten. En ja, het is nog steeds van toepassing op politici.

Source: Verteidigungsminister Helmut Schmidt Author: Bundeswehr-Fotos Wir.Dienen.Deutschland. © Bundeswehr/Archiv

Volgens het tijdschrift Der Spiegel zou Schmidt dit tijdens de verkiezingsstrijd van 1980 over zijn toenmalige tegenstander Willy Brandt gezegd hebben. De vroegste vermelding van het citaat is echter pas in 2002 te vinden en niet in 1980. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat De Spiegel de uitspraak Schmidt in de mond legt. Het kan ook zijn dat Schmidt iets dergelijks heeft gezegd, maar een citaat zonder directe bronvermelding is niet zo sterk, en zelfs dan niet als de vermoedelijke bedenker zich meent te herinneren dát hij zoiets gezegd heeft, want mensen, en politici bij uitstek!, zeggen heel, heel, heel veel en kunnen zich na 22 jaar zeker niet alles precies herinneren.

Maar dan het belangrijkste punt! Wat betekent dit vermeende citaat? Wat staat hier? Er staat niét, ik herhaal, er staat niét dat mensen met een visie naar de arts moeten gaan. Weliswaar kan een “Vision” een toekomstvisie zijn, maar dan toch vooral van mensen die bevangen worden door droombeelden. Enerzijds vallen onder “Vision” letterlijk en overdrachtelijk vertekende beelden, namelijk hallucinaties door ziekte of bovennatuurlijke verschijningen, anderzijds kan het een toekomstbeeld volgens bepaalde maatschappelijke verwachtingen inhouden. Het woord “Vision” dekt dus zowel de begrippen “visioen” als “toekomstvisie”, maar heeft zelden een neutrale betekenis waar het woord “Zukunftsbild” zich aandient. Bovendien duidt het meervoud eerder op “visioenen”.

De Duitse zin betekent dan ook: wie waan- of droombeelden heeft, moet naar de dokter.

Dat de NOS niet binnen een paar uur op deze nuance kan komen, zij haar vergeven! Dat zij nog onrijpe geestesvruchten op het web zet, niet. Het is inadequaat om Schmidt met terugwerkende kracht eenzelfde uiting te laten doen als Rutte: de tijden zijn niet alleen anders, de uitlatingen verschillen inhoudelijk.

Schmidt zelf oordeelde zelf in 2010 in Die Zeit dat de vermeende uitspraak “eine pampige Antwort auf eine dusselige Frage” was – een lomp antwoord op een vage vraag. Reden te meer om een vermeend citaat zónder duidelijke bronvermelding, niet op te nemen; zeker niet in een onnauwkeurige vertaling, die een verkeerd tijdsbeeld oproept.

Actualisering 14 januari 2018: Zijne Excellentie de mp plaatst in het tv-programma Buitenhof zijn visie-uitspraak in het kader van de tegenstellingen uit de jaren zeventig en wijst erop dat hij wel degelijk een visie heeft. Over een artsenbezoek laat de mp zich niet uit. Na drie minuten:   https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~VPWON_1283462~mark-rutte~.html 


Bronnen:
1. Het NOS-bericht “Helmut Schmidt: gerespecteerd als der Macher”:
http://nos.nl/artikel/2068254-helmut-schmidt-gerespecteerd-als-der-macher.html
2. Het Sint-Ursula Gymnasium schrijft een brief aan Helmut Schmidt:
http://sowi.st-ursula-attendorn.de/tp/tpsmid01.htm
3. De eerste vermelding van het citaat in Der Spiegel:
http://www.spiegel.de/spiegel/print/d-25554378.html
4. Helmut Schmidt overpeinst het slechte antwoord:
http://www.zeit.de/2010/10/Fragen-an-Helmut-Schmidt/seite-4

Relevante tekstpassages uit bovengenoemde bronnen:
1. NOS-bericht:
‘Protestpolitici’
Ondanks zijn hoge leeftijd was de elder statesman nog regelmatig te zien in tv-programma’s en bij congressen van de sociaal-democraten. Binnen de SPD bleef hij enorm populair.
De Hamburger werd gezien als een nuchtere pragmaticus, die een broertje dood had aan ‘protestpolitici’ die waren voortgekomen uit de studentenbeweging. Mensen met een visie adviseerde Schmidt “om naar de dokter te gaan”.
2. Brief Gymnasium:
(1) Geht das Zitat “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” tatsächlich auf Sie zurück? (Angeblich haben Sie es im Bundestagswahlkampf 1980 auf Willy Brandt bezogen.)
(2) Falls ja: Erinnern Sie sich noch, in welchem Kontext Sie diese Aussage gemacht haben? Wurde sie eventuell aus dem Zusammenhang gerissen?
(3) Würden Sie heute (unabhängig davon, ob Sie der Urheber des genannten Zitats sind) auf die Frage, ob Politiker Visionen haben müssen, ebenfalls auf den Gang zum Arzt verweisen – oder würden Sie die Antwort aufgrund Ihrer derzeitigen politischen Erfahrungen modifizieren?
Wir würden uns sehr freuen, wenn Sie uns hierzu Auskunft geben könnten.
In der Hoffnung auf Ihre Antwort verbleiben wir
mit freundlichen Grüßen
Anna Carla Kugelmeier
—-
Sehr geehrte Frau Kugelmeier,
besten Dank für Ihren Brief vom 30. Januar. Zu Ihren Fragen:
(1) Das Zitat geht auf mich zurück. Ich habe es damals aber nicht mit Blick auf Willy Brandt formuliert.
(2) Ich erinnere mich nicht mehr an den Kontext, in dem ich mich über Visionen geäußert habe. Das Zitat wurde bestimmt des Öfteren aus dem Zusammenhang gerissen zitiert.
(3) Das Zitat gilt auch heute, es bezieht sich damals wie heute auf Politiker.
Mit freundlichen Grüßen
Helmut Schmidt

Der Briefwechsel datiert auf den 30.1. bzw. 26.2.2009.
3. De eerste vermelding van het vermeende citaat:
Doch die Bürger störte das alles nicht. Schmidt profilierte sich im folgenden Jahr im Kampf gegen den RAF-Terror und wurde 1980 trotz eines pomadigen Mottos – “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” – im Amt bestätigt.
4. Helmut Schmidt betreurt het antwoord:
ZEITmagazin: Wenn man Ihnen so zuhört, könnte man meinen, Sie hätten eine Vision. Dabei haben Sie doch mal gesagt: Wer Visionen hat, sollte zum Arzt gehen.
Schmidt: Diesen Satz habe ich ein einziges Mal gesagt, er ist aber tausendfach zitiert worden. Einmal hätte genügt.
ZEITmagazin: Wie ist er überhaupt in die Welt gekommen?
Schmidt: Das weiß ich nicht mehr. Wahrscheinlich habe ich ihn in einem Interview gesagt. Das muss mindestens 35 Jahre her sein, vielleicht 40. Da wurde ich gefragt: Wo ist Ihre große Vision? Und ich habe gesagt: Wer eine Vision hat, der soll zum Arzt gehen. Es war eine pampige Antwort auf eine dusselige Frage.

Duitslands hereniging op de Nederlandse radio

Het laatste half uur van de uitzending van 2 op 3 oktober 1990 van “Met het Oog op Morgen” van de NOS: een reportage van de officiële festiviteiten te Berlijn in het kader van de Wiedervereinigung. Verslaggevers ter plaatse becommentariëren wat zij zien, geven nadere uitleg en vragen voorbijgangers naar hun gedachten op dit historische moment. Met dank aan de NOS en Met het Oog op Morgen.

2 oktober 1990, 23:55 u. De radionieuwsdienst van het ANP meldt: “Over enkele minuten bestaat de DDR niet meer en is er weer één Duitsland.” Nederland staat dan op het punt om naar bed te gaan, Hilversum heeft de televisie-uitzendingen voor die dag gestaakt. Het ophanden zijnde moment der Duitse hereniging, de Wiedervereinigung, om middernacht is geen reden om de Nederlandse natie de bedrust te onthouden: ’s nachts slaapt men.

Wel verlengt het radioprogramma Met het Oog op Morgen zijn uitzending met een extra half uur, waarin het moment om en nabij de Brandenburgse Poort gevangen wordt. Ik schakel in en druk op de knop record.

Wiedervereinigungsfeier

Vuurwerkgeknal, gedrang, president Richard von Weizsäcker spreekt een korte wens uit:
„In freier Selbstbestimmung wollen wir die Einheit und Freiheit Deutschlands vollenden. Für unsere Aufgaben sind wir uns der Verantwortung vor Gott und den Menschen bewußt. Wir wollen in einem vereinten Europa dem Frieden der Welt dienen.“ Het koor heft het derde couplet van het Duitslandlied aan.

Op school hangt in die dagen een lauwe nieuwsgierigheid: de Wiedervereinigung is zeker niét het gespreksonderwerp van de dag voor adolescenten. Of nu van zo’n herenigd groot Duitsland geen gevaar uit zou gaan… De stemmen zijn verdeeld. Bij spreekbeurten tekenen leraren kritisch en, naar achteraf blijkt, terecht aan dat Kohl een te optimistisch kostenplaatje van de hereniging schetst. Blijkbaar lezen leraren in die dagen de Volkskrant nog trouw, waarin Jan Blokker op 29 september schrijft dat de Duitsers goed zijn in het “umdenken”.

Hanneke Groenteman refereert in haar gesprek met Bert Tichelaar aan dit artikel en vat het samen met “zwenkingen en slaloms in het denken, zeker ook met de Oost-Duitsers, zal ik maar zeggen.” Tichelaar noemt als voorbeeld de schrijfster Christa Wolf en noemt het begrip voor deze mensen, die zich gedrongen zien om van politiek standpunt te wisselen: Wendehälse.  Ik weet niet zeker of het begrip “draaikonten” hier past.

Of het socialisme in de DDR ook niet goede dingen heeft gebracht, en het kind nu niet met het badwater weggegooid wordt, wil Groenteman weten. Tichelaar noemt de veelal geroemde kinderopvang en de positie van de vrouw binnen de DDR. “Alles werd vroeger geleid en geregeld. Alles kwam vroeger voor elkaar.” Blijkbaar had ook Tichelaar nog niet de omvang van de dictatoriale laagheid begrepen, waarmee de DDR haar burgers in een dagritme dwong.

Wouter Kurpershoek meldt de blijde verwoesting van grensovergang Check Point Charlie, Henk Glimmerveen meldt op de valreep de geboorte van de anarchistische republiek “Utopia”, waarna de verbinding met Berlijn verbroken wordt.

Het Oog draait zijn herkenningslied “Gute Nacht Freunde”, bij uitzonding alle coupletten.

Het cassettebandje stopt: meer dan een half uur geluid kan niet op een kant. Oktober 2013: de reportage staat op Youtube op: http://www.youtube.com/watch?v=vGK8o072TnQ
U hoort:
– Hanneke Groenteman in de studio in Hilversum;
– Jan van Loenen bij het Rijksdaggebouw in Berlijn-West;
– Bert Tigchelaar, verslaggever in een radiowagen in Oost-Berlijn;
– Wouter Kurpershoek, verslaggever ter plekke;
– Henk Glimmerveen, per telefoon uit Berlijn.

“Deutsche Hörer!” – Thomas Manns radiotoespraken

Thomas Manns eerste radiotoespraak tijdens WOII vertaald in het Nederlands. “Duitse luisteraars!”

Tot mijn teleurstelling is het feit dat Thomas Mann in de Tweede Wereldoorlog radiotoespraken  tegen het nazidom heeft gehouden nauwelijks bekend in Nederland. Vergelijk de toespraken op Radio Oranje. Ook tot mijn teleurstelling houden klaarblijkelijk auteursrechten het nu nóg tegen om deze tekstmonumenten, na zovele jaren, publiek te maken via het wereldwijde web: het cultuurhistorische belang van deze toespraken is te groot om nog langer vast te houden aan de beperkingen van het auteursrecht. Cynisch zou ik eraan toe kunnen voegen dat “we toch al geen Duits meer konden verstaan”, maar dat doe ik niet.

Thomas MannHieronder volgt mijn vertaling van Manns eerste toespraak op 1 november 1941 die hij hield voor de BBC. Het is een tamelijk letterlijke vertaling. Weliswaar is het niet zo lastig om er een moderne variant van te maken, die meer recht doet aan het huidige Nederlandse idioom, maar meelezen lukt dan niet meer, en bovendien vat ik dan niet de tijd en de toon, die inderdaad voor sommigen hoogdravend mag heten. Hoe dan ook: een monument in geluid en tekst. Een oordeel over de inhoud van de toespraak laat ik over aan uw “individueel geweten”. Men hoort brisante zaken!

Klik hier en lees dan hieronder mee: http://www.youtube.com/watch?v=25YNc5bX7xY

Duitse luisteraars!

Hem die thans weer tot u spreekt, was het vergund om in het verloop van zijn nu al lange leven, voor het geestelijk aanzien van Duitsland een en ander te doen. Ik ben er dankbaar voor, maar ik mag mij er niet op laten voorstaan, want het was mijn lotsbeschikking en niet mijn bedoeling. Geen kunstenaar doet zijn werk om de roem van zijn land en volk te vermeerderen: de bron der productiviteit is het individuele geweten.

Gij Duitsers moogt mij heden niet dankbaar zijn voor mijn werk, ook niet indien gij dat zoudt willen, wellicht juist daarom. Het is niet om uwentwille, doch uit eigen innerlijke noodzaak verricht. Maar iets is er, wat werkelijk om uwentwille is gedaan; iets wat voortgekomen is uit een sociaal geweten en niet uit een privaat geweten. En dagelijks ben ik er zekerder van dat de tijd komen zal, en zij komt naderbij, dat gij mij erom danken zult, en, ge zult het mij hoger aanrekenen dan mijn geschiedkundige werken.

Namelijk, dat ik jullie gewaarschuwd heb, toen het nog niet te laat was, voor de verderfelijke krachten onder wier juk gij nu hulpeloos ingespannen zijt; krachten waardoor gij nu door duizenden ondaden in een onvoorstelbaar verderf gestort wordt. Ik kende hen! Ik wist dat er niets anders dan catastrofe en ellende voor Duitsland en voor Europa uit hun zo onuitsprekelijk verdorven wezen kon voortkomen, terwijl het merendeel van u, heden waarschijnlijk in voor uzelf onbegrijpelijke verblinding, hen voor brengers van orde, schoonheid en nationale waardigheid aanzag.

Denkt men niet aan Goethes spreuk over de vrome Duitse natie, die zich pas echt verheven voelt, als al haar waardigheid te grabbel is gegooid?

Ik kende ook u, goede Duitsers, en uw feilbaarheid in het begrijpen van uw ware eer en waardigheid. En het feit dat ik destijds in oktober 1930, mijn eigen natuur overwinnend, de politieke arena betrad, en in de Berliner Beethovensaal, toen al onder brullende onderbrekingen van naziknapen, de redevoering hield  – een enkeling onder u staat het wellicht nog voor de geest – die ik “Appèl aan het verstand” noemde, ofschoon zij toch een appèl aan al het betere Duitserschap was, is voor mijn geweten een grotere geruststelling, al mag het allemaal tevergeefs zijn geweest, dan alles wat ik met groter succes als kunstenaar heb kunnen volbrengen.

Ik heb met mijn zwakke krachten gepoogd te verhinderen wat wel móest komen, en wat er nu sedert jaren is, namelijk de oorlog, waarvan uw leugenachtige leiders de schuld geven aan Joden, Britten, vrijmetselaars en, God weet wie nog meer, terwijl hij toch voor iedereen die wilde en kon zien met gewisheid afzienbaar was, van dát ogenblik af, dat zíj aan de macht kwamen en begonnen aan de bouw van de machinerie door welke zij menen vrijheid en recht te kunnen platwalsen.

En wat voor een oorlog is het, in welks boeien gij u verstrikt! Een onafzienbaar, verwoestend, hopeloos avontuur, een moeras vol bloed en misdaad, waarin Duitsland dreigt af te zinken. Hoe ziet het er bij u uit? Denkt gij, wij buiten weten het niet zo goed als gijzelf? Verwildering en ellende grijpen om zich heen; zonder scrupules wordt uw mannelijke jeugd tot en met de achttien-, de zestienjarigen, de moloch des oorlogs geofferd ten getale van honderdduizenden, miljoenen. Er is geen huis meer in Duitsland dat geen echtgenoot, zoon of broer heeft te betreuren.

Het verval zet in.

In Rusland ontbreekt het aan artsen, verplegend personeel, verpleegmiddelen. In Duitse veldhospitalen en ziekenhuizen worden de zwaargewonden, samen met bejaarden, gebrekkigen, geestelijk gestoorden, door gifgas ter dood gebracht. Tweeduizend van drieduizend, zo vertelde een Duitse arts, in slechts één inrichting. Dat doet datzelfde regime dat begint te brullen als Roosevelt het ervan beschuldigt dat het christendom en alle religie wil vernietigen. En dat voorwendt een kruistocht voor christelijke beschaafdheid tegen het bolsjewisme te voeren. Tegen het bolsjewisme, waarop het zelf een smerigere on-variant zonder weerga is.

Het christelijke antwoordspel op de massale vergassingen zijn de zogenaamde paringsdagen, waarop soldaten op verlof met meisjes van de Duitse Bond[1] voor dierlijke huwelijken-voor-een-paar-uur tezamen worden gecommandeerd om zo staatsbastaarden voor de volgende oorlog te fokken. Kan een volk, een jeugd, dieper zinken? Gruwel en lastering van menselijkheid, waarheen gij ook kijkt.

Ooit verzamelde een herder[2] liefdevol de volksliedjes der landsdelen. Dat was Duitsland in zijn goedheid en grootsheid. Heden weet het niets anders dan volkeren- en massamoord, stompzinnige vernietiging. Driehonderdduizend Serviërs zijn, niet ín de oorlog, maar ná de oorlog met dit land, door u Duitsers op het bevel der vermaledijde schoften die u regeren, omgebracht.

Het onzegbare wat er in Rusland, wat er met de Polen en Joden gebeurd is én gebeurt, weet gij. Maar gij wilt het liever niet weten, op grond van terechte afschuw voor de eveneens onzegbare, reusachtig groeiende haat, die op een dag, als uw volks- en machinekrachten verlamd zijn, boven uw hoofd uitbarsten zal. Ja, vrees en afgrijzen voor deze dag is op zijn plaats.

En uw leiders buiten het uit! Zij die u tot deze schanddaden hebben verleid, zeggen u, nu hebt gij ze begaan, nu zijt gij onlosmakelijk aan ons gekluisterd, nu zult gij doorgaan tot aan het bittere einde, anders zal de hel over u komen.

De hel, Duitsers, kwam over u, toen deze leiders over u kwamen. Naar de hel met hén en al hun kleingeestige trawanten! Dan kan er altijd nog redding, dan kan er vrijheid en vrede voor u zijn.


[1] „meisjes van de Duitse Bond“: Bund deutscher Mädel, BdM-Mädel
[2] Jacob Grimm

Peter Sloterdijk: de co-immune mens!

Recensie van Peter Sloterdijks Je_moet_je_leven_veranderen.

Peter Sloterdijk, Karlsruhe, 2009
Auteur: Rainer Lück http://1RL.de
Bron: Creative Commons, Wikipedia

Voor 8weekly heb ik met plezier Sloterdijks nieuwste boek besproken. Hieronder staat de tekst, waarin ik Sloterdijks toekomstvisioen van “de co-immune mens” samenvat.

Zo’n 280 kaaskoppen luisterden op vrijdag de dertiende naar de wereldberoemde Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Eigenlijk hadden 20 miljoen Nederlandssprekenden Sloterdijks boodschap moeten horen: de co-immune mens sta op!

Een academisch filosofische lezing ter gelegenheid van het uitkomen van Je moet je leven veranderen, de voortreffelijke Nederlandse vertaling van Du musst dein Leben ändern, zal in het algemeen weinig mensen trekken. Als bovendien de voertaal Duits is, wordt het publiek nog kleiner. Bijgevolg toog er een honderdtal mensen vrijdag 13 mei 2011 naar Felix Meritis te Amsterdam voor Sloterdijks lezing.

Filosofische rijkdom voor weinigen
Een honderdtal kritisch luisterende mensen, wier gemiddelde leeftijd rond de 45 ligt, mag gerust een groot aantal voor dit land worden genoemd: nog afgezien van het onderwerp, voor velen is academisch Duits eenvoudigweg te lastig (geworden). Dat is jammer, want Sloterdijk is een buitengewoon onderhoudend en charmant spreker die de juiste dosering tussen ernst en ironie treft. De vragensteller, prof. dr. René ten Bos, hoefde maar weinig gedachten op te werpen om uitgebreide en doorwrochte antwoorden te krijgen.

Sloterdijk, literator maar ook televisiepresentator, associeert met gemak een kwartier lang op een vraag, waarbij hij peurt uit zijn schijnbaar onuitputtelijke kennis en ervaring. Literaire, filosofische, kunsthistorische, zelfs natuurkundige themagebieden bewandelt hij, waarbij hij uiteindelijk met een glimlach op het oorspronkelijke uitgangspunt terugkeert.

Met een glimlach
Zoals Sloterdijk spreekt, zo schrijft hij ook: ‘mit einem kleinen Lächeln’, met een genoegzaam, provocant en charmant glimlachje. Sloterdijks boek begint met het blootleggen van de processen die schuilgaan achter geïnstitutionaliseerde godsdienst en religiositeit in het algemeen. Dit doet hij niet volgens de bekende, tot vervelens toe herhaalde standpunten (darwinistische, creationistische, enzovoort), hij zet trefzeker de bijl aan de wortel van het discours:

We moeten opboksen tegen een van de massiefste pseudo-evidenties van de recente geestesgeschiedenis, namelijk tegen het pas sinds twee- of driehonderd jaar in Europa heersende geloof in het bestaan van ‘religies’, sterker, tegen het ongefundeerde geloof in het bestaan van het geloof. Het geloof in de feitelijkheid van ‘religie’ is het element dat gelovigen en niet-gelovigen nog steeds met elkaar verbindt.

De doorwrochte en uitgebreide argumentatie van Sloterdijk grovelijk tekortdoend, gaat het erom dat niet slechts een bepaalde godsdienstbeleving cultureel opgelegd wordt (ook het begrip ‘cultuur’ is al een groot misverstand), maar dat Sloterdijk ‘het talent voor religiositeit’ beziet als een psychoneurotische neiging: een ‘oefening’ in Sloterdijks idioom, een herhaling ter verbetering, zoals het leven, deze ‘orgie van repetiviteit’, er vele kent.

Leven: orgastisch oefenen
De ‘religiositeitsoefening’, de dagelijkse oefening in godsdienst, legt hij uit aan de hand van het gedicht ‘Archaïsche torso van Apollo’ van Rilke. Dit gedicht beschrijft de gewaarwording van beschouwing: de aanblik van een marmeren mannelijke torso is dermate indringend dat niet langer alleen de toeschouwer de torso beziet, de torso kijkt terug! Sterker, hij ziet in zijn volmaaktheid dwars door de toeschouwer heen. Rilkes innerlijke stem besluit het gedicht haast beduusd: ‘Zo doorleven kun je niet’ – en passant de bron van Sloterdijks boek – pure intertekstualiteit.

Sloterdijks bezwaar tegen Rilkes observatie is dat subject en object worden omgedraaid. Een stenen torso kan immers niet terugkijken in de natuurkundige zin des woords. Neemt iemand, op het moment dat hij het gedicht leest en zich in Rilke verplaatst, aan dat het marmeren beeld ‘echt’ terugkijkt, wat natuurkundig bezien een onmogelijkheid is, dan verricht hij een ‘microreligieuze handeling’, aldus Sloterdijk.

Hier overtuigt Sloterdijks argumentatie en slaat hij de spijker op de kop, zo hard dat deze door de plank heengejaagd wordt. Jazeker, poëzie, religie en exegese werken met analogieën, maar het doorzien van het analogisch principe is nog geen anti-godsbewijs, zou je Sloterdijk willen toevoegen. Werkt immers de natuurkunde ook niet met analogieën?

De co-immune mens
Hier staat tegenover dat het boek niet een groot pleidooi tegen de godsdienst is; eerder een pleidooi voor een zelfkritische omgang daarmee. Verdedigbaar is zelfs dat Sloterdijk oproept tot een nieuw besef, dat in zijn volstrekte nuchterheid door geen enkele godloochenaar valt te ontkennen. De mensheid zal in zichzelf stikken op deze aarde als haar bronnen uitgeput zijn (bevolkingsoverschot, milieurampen) en daarom pleit Sloterdijk voor de ‘co-immune mens’, de samenwerkende mens, die de grens tussen zichzelf en de ander in beschaving overwonnen heeft. Mijn belang is zijn belang, mijn nood is zijn nood.

Want, aldus Sloterdijk op de lezing: ‘Der Mensch ist eine schutzbedürftige Einheit’ – De mens, een voorwerp dat het beschermen waard is. Het lijkt verdorie wel een christelijke, herstel, humane idee.

Waarom de lezing niet met de ‘Ode an die Freude’ uit Beethovens Negende werd besloten, is een raadsel: ‘Alle Menschen werden Brüder!’ Het had gekund en het had gepast: Sloterdijks geestestuin is een rijk en wijd en volmaakt cultuurlandschap, waar letzten Endes ieder ieders broeders hoeder is, of noodgedwongen moet zijn. — Maar wat nou als er iemand Kain heet?