Emile van Brakel

Vertaalwerk

Mijn vertaalwerk van het Duits naar het Nederlands wordt steeds literairder. Und das ist gut so!:  Waarom het korte lieve leventje opgeofferd aan zoiets als  de tandpasta- gebruiksaanwijzing? Hieronder vindt u een recent voorbeeld van mijn werk voor Amsterdam Sinfonietta. 

Verder heb ik mij bezondigd aan tekstredactie voor wat in slecht Nederlands heet “multimedia”; bestaat er zoiets als singlemedia? Teksredactie is een rode draad in mijn leven:  schoolkrant, faculteitsblad; culturele  en juridische teksten.

Voor mijn werk verwijs ik verder naar: www.taalbeter.nl.

______________________________________________________________

Vertaling voor Amsterdam Sinfonietta van Richard Dehmels gedicht “Verklärte Nacht”, getoonzet door Arnold Schönberg.

Verlichte nacht. 

Twee mensen gaan door kaal, kil woud;
de maan loopt mee, hun blik beschouwt.
De maan loopt over hoge eiken,
Geen wolkje vertroebelt het hemellicht,
waarin de zwarte takken reiken.
De stem van een vrouw zegt:

 Ik draag een kind, en niet van jou,
ik loop in zonde naast jou.
Ik heb zelfbedrog me laten vangen;
ik geloofde niet meer in een geluk
en had toch een diep verlangen
naar levensvrucht, naar moedergeluk
en plicht – toen heb ik mij verstout,
toen liet ik bibberend mijn geslacht
door een vreemde man omgorden
en heb mij zelfs daarom gezegend.
Nu heeft het leven zich gewroken,
Nu heb ik jou, o jou ontmoet. 

Zij loopt met onbeholpen tree,
zij blikt omhoog, de maan loopt mee;
haar donkere blik verdrinkt in licht.

De stem van een man zegt:
Het kind dat jij ontvangen hebt,
zij jouw ziel geen last,
o zie, hoe klaar het heelal schittert!
Er is een glans om Alles heen,
jij drijft met mij op koude zee,
Maar een eigen warmte zindert
van jou in mij, van mij in jou;
die zal het vreemde kind verklaren,
jij zult het voor en van mij baren;
jij hebt de glans in mij geraakt,
Jij hebt mijzelf tot kind gemaakt.

Hij vat haar bij de zware heupen,
hun adem vermengt in de luchten,
twee mensen gaan door hoge, held’re nacht. 

————————————————————————

Verklärte Nacht. 

Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen,
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.

Die Stimme eines Weibes spricht:
Ich trag ein Kind, und nicht von dir,
ich geh in Sünde neben dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen;
ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensfrucht, nach Mutterglück
und Pflicht – da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt,
nun bin ich dir, o dir begegnet.

Sie geht mit ungelenkem Schritt,
sie schaut empor, der Mond läuft mit;
ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:
Das Kind, das du empfangen hast,
sei deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um Alles her,
du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von dir in mich, von mir in dich;
die wird das fremde Kind verklären,
du wirst es mir, von mir gebären,
du hast den Glanz in mich gebracht,
du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Er faßt sie um die starken Hüften,
ihr Atem mischt sich in den Lüften,
zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.

Geen reacties

Geen reacties ↓

Geef hieronder een reactie op het bovenstaande:

Geef een reactie: