Schmidts Visionen, Ruttes visie

Schmidts Visionen waren niet Ruttes visie.

Oud-bondskanselier Helmut Schmidt, een breed ontwikkelde mens met hart, mond en intellect, staatsman en liefhebbende echtgenoot, kortom een “mensch” in elk opzicht, is op 10 november jongstleden overleden. Enkele uren na zijn dood meldt de NOS dat Schmidt eens verklaarde dat “mensen met een visie naar de dokter moeten” – blijkbaar de vertaling van de aan Schmidt toegeschreven uitlating “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen.”

Hee, dat ken ik! Nederland vernam in 2013 van zijn eerste minister soortgelijks, toen deze op de H.J. Schoo-lezing verklaarde dat “visie als de olifant is die het uitzicht belemmert”. De onvermijdelijke verbinding van beide uitspraken die de lezer in de Nederlandse context maakt, werpt de vraag op: waren Schmidts “Visionen” hetzelfde als de door Rutte ongewenste “visie”? Het antwoord is een duidelijk neen! Wat haalt de NOS zich toch allemaal in het kopje om zulke anachronistische vergelijkingen op te schrijven? Waarom?

Wat zei de heer Schmidt dan wél precies en hoe is die uitspraak te begrijpen? Dat heeft ook het Duitse St.-Ursula-Gymnasium in Attendorn zich in 2009 afgevraagd. Het schreef de heer Schmidt een brief, die iedereen kan aanklikken in het wereldwijde web, en de heer Schmidt antwoordde bondig.

De school vraagt Schmidt of het klopt dat hij “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” heeft gezegd. Kunt u zich dat nog herinneren, geachte heer Schmidt? In welke context? En is het nog steeds van toepassing op politici? Het korte en duidelijke Schmidtiaanse antwoord: Nee, ik kan het mij niet meer goed herinneren; het sloeg in elk geval niet op Willy Brandt. Het citaat komt waarschijnlijk wel van mij, maar ik weet niet meer in welke context ik mij over “Visionen” heb uitgelaten. En ja, het is nog steeds van toepassing op politici.

Source: Verteidigungsminister Helmut Schmidt Author: Bundeswehr-Fotos Wir.Dienen.Deutschland. © Bundeswehr/Archiv

Volgens het tijdschrift Der Spiegel zou Schmidt dit tijdens de verkiezingsstrijd van 1980 over zijn toenmalige tegenstander Willy Brandt gezegd hebben. De vroegste vermelding van het citaat is echter pas in 2002 te vinden en niet in 1980. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat De Spiegel de uitspraak Schmidt in de mond legt. Het kan ook zijn dat Schmidt iets dergelijks heeft gezegd, maar een citaat zonder directe bronvermelding is niet zo sterk, en zelfs dan niet als de vermoedelijke bedenker zich meent te herinneren dát hij zoiets gezegd heeft, want mensen, en politici bij uitstek!, zeggen heel, heel, heel veel en kunnen zich na 22 jaar zeker niet alles precies herinneren.

Maar dan het belangrijkste punt! Wat betekent dit vermeende citaat? Wat staat hier? Er staat niét, ik herhaal, er staat niét dat mensen met een visie naar de arts moeten gaan. Weliswaar kan een “Vision” een toekomstvisie zijn, maar dan toch vooral van mensen die bevangen worden door droombeelden. Enerzijds vallen onder “Vision” letterlijk en overdrachtelijk vertekende beelden, namelijk hallucinaties door ziekte of bovennatuurlijke verschijningen, anderzijds kan het een toekomstbeeld volgens bepaalde maatschappelijke verwachtingen inhouden. Het woord “Vision” dekt dus zowel de begrippen “visioen” als “toekomstvisie”, maar heeft zelden een neutrale betekenis waar het woord “Zukunftsbild” zich aandient. Bovendien duidt het meervoud eerder op “visioenen”.

De Duitse zin betekent dan ook: wie waan- of droombeelden heeft, moet naar de dokter.

Dat de NOS niet binnen een paar uur op deze nuance kan komen, zij haar vergeven! Dat zij nog onrijpe geestesvruchten op het web zet, niet. Het is inadequaat om Schmidt met terugwerkende kracht eenzelfde uiting te laten doen als Rutte: de tijden zijn niet alleen anders, de uitlatingen verschillen inhoudelijk.

Schmidt zelf oordeelde zelf in 2010 in Die Zeit dat de vermeende uitspraak “eine pampige Antwort auf eine dusselige Frage” was – een lomp antwoord op een vage vraag. Reden te meer om een vermeend citaat zónder duidelijke bronvermelding, niet op te nemen; zeker niet in een onnauwkeurige vertaling, die een verkeerd tijdsbeeld oproept.

Actualisering 14 januari 2018: Zijne Excellentie de mp plaatst in het tv-programma Buitenhof zijn visie-uitspraak in het kader van de tegenstellingen uit de jaren zeventig en wijst erop dat hij wel degelijk een visie heeft. Over een artsenbezoek laat de mp zich niet uit. Na drie minuten:   https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~VPWON_1283462~mark-rutte~.html 


Bronnen:
1. Het NOS-bericht “Helmut Schmidt: gerespecteerd als der Macher”:
http://nos.nl/artikel/2068254-helmut-schmidt-gerespecteerd-als-der-macher.html
2. Het Sint-Ursula Gymnasium schrijft een brief aan Helmut Schmidt:
http://sowi.st-ursula-attendorn.de/tp/tpsmid01.htm
3. De eerste vermelding van het citaat in Der Spiegel:
http://www.spiegel.de/spiegel/print/d-25554378.html
4. Helmut Schmidt overpeinst het slechte antwoord:
http://www.zeit.de/2010/10/Fragen-an-Helmut-Schmidt/seite-4

Relevante tekstpassages uit bovengenoemde bronnen:
1. NOS-bericht:
‘Protestpolitici’
Ondanks zijn hoge leeftijd was de elder statesman nog regelmatig te zien in tv-programma’s en bij congressen van de sociaal-democraten. Binnen de SPD bleef hij enorm populair.
De Hamburger werd gezien als een nuchtere pragmaticus, die een broertje dood had aan ‘protestpolitici’ die waren voortgekomen uit de studentenbeweging. Mensen met een visie adviseerde Schmidt “om naar de dokter te gaan”.
2. Brief Gymnasium:
(1) Geht das Zitat “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” tatsächlich auf Sie zurück? (Angeblich haben Sie es im Bundestagswahlkampf 1980 auf Willy Brandt bezogen.)
(2) Falls ja: Erinnern Sie sich noch, in welchem Kontext Sie diese Aussage gemacht haben? Wurde sie eventuell aus dem Zusammenhang gerissen?
(3) Würden Sie heute (unabhängig davon, ob Sie der Urheber des genannten Zitats sind) auf die Frage, ob Politiker Visionen haben müssen, ebenfalls auf den Gang zum Arzt verweisen – oder würden Sie die Antwort aufgrund Ihrer derzeitigen politischen Erfahrungen modifizieren?
Wir würden uns sehr freuen, wenn Sie uns hierzu Auskunft geben könnten.
In der Hoffnung auf Ihre Antwort verbleiben wir
mit freundlichen Grüßen
Anna Carla Kugelmeier
—-
Sehr geehrte Frau Kugelmeier,
besten Dank für Ihren Brief vom 30. Januar. Zu Ihren Fragen:
(1) Das Zitat geht auf mich zurück. Ich habe es damals aber nicht mit Blick auf Willy Brandt formuliert.
(2) Ich erinnere mich nicht mehr an den Kontext, in dem ich mich über Visionen geäußert habe. Das Zitat wurde bestimmt des Öfteren aus dem Zusammenhang gerissen zitiert.
(3) Das Zitat gilt auch heute, es bezieht sich damals wie heute auf Politiker.
Mit freundlichen Grüßen
Helmut Schmidt

Der Briefwechsel datiert auf den 30.1. bzw. 26.2.2009.
3. De eerste vermelding van het vermeende citaat:
Doch die Bürger störte das alles nicht. Schmidt profilierte sich im folgenden Jahr im Kampf gegen den RAF-Terror und wurde 1980 trotz eines pomadigen Mottos – “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” – im Amt bestätigt.
4. Helmut Schmidt betreurt het antwoord:
ZEITmagazin: Wenn man Ihnen so zuhört, könnte man meinen, Sie hätten eine Vision. Dabei haben Sie doch mal gesagt: Wer Visionen hat, sollte zum Arzt gehen.
Schmidt: Diesen Satz habe ich ein einziges Mal gesagt, er ist aber tausendfach zitiert worden. Einmal hätte genügt.
ZEITmagazin: Wie ist er überhaupt in die Welt gekommen?
Schmidt: Das weiß ich nicht mehr. Wahrscheinlich habe ich ihn in einem Interview gesagt. Das muss mindestens 35 Jahre her sein, vielleicht 40. Da wurde ich gefragt: Wo ist Ihre große Vision? Und ich habe gesagt: Wer eine Vision hat, der soll zum Arzt gehen. Es war eine pampige Antwort auf eine dusselige Frage.

Hans Lodeizen – Reis naar de Congo

Reis naar de Congo is een dagboeksprookje en de neerslag van Hans Lodeizens bevrijding in seksuele zin in 1948. De ingeplante bourgeoisverwachting van een zoon verandert in het zelfgekozen levenspad van een jongeman.

Hans Lodeizen. Onbekende fotograaf. Bron: Nationaal Archief

Reis naar de Congo, geschreven tussen 20 december 1947 en 1 november 1949, is de neerslag van Hans Lodeizens bevrijding in seksuele zin. Het is een dagboeksprookje: na het avontuurlijke oerwoud volgt de vrolijke stad. Met deze plaatsverschuiving verglijden de gevoelens van erotisch exotisme, misogynie en verlatenheid naar efemeer geluk met − citaat: “het negerjongetje”. De ingeplante bourgeoisverwachting van een zoon verandert in het zelfgekozen levenspad van een jongeman.

De Reis begint zoals een kind een reis begint: in een imaginair Kongogebied, waar een blank ontdekkingsreiziger met de naam Hans samen met vriendin Klarita op ontdekking gaat. Klarita blijkt gaandeweg een heel vervelend mens… Hans ziet voor het eerst in zijn leven zwarte mannen… Een “negerjongetje” steelt hem het hart. Langs vele omzwervingen eindigt de reis in een gedroomd New York.

Enige overeenkomsten met het “werkelijke leven” van Hans Lodeizen in 1948 vallen meteen op: hij studeert op dat moment biologie in de VS, aan het Amherst College in Massachusetts. Zijn zuster Greetje bezoekt hem, op wier naam mogelijk de naam Klarita zinspeelt − Lodeizen kende Goethes vrouwelijke archetypen Gretchen en Klärchen. En dán, dan ontmoet hij een zwarte jongen op wie hij verliefd wordt.

Lodeizens biograaf Koen Hilberdink (Van Oorschot, Amsterdam, 2007) schrijft: “Ook met Hugh Wellington LaVigne, een student van Afrikaanse afkomst die hij in een park ontmoette, wilde het eerst niet lukken het bed te delen. Bij zijn aankomst in Amerika had hij vanuit zijn Nederlandse vooroordeel negers minderwaardig gevonden, maar nu viel hij voor diens donkere lichaam. ‘Ik weet het niet hoe het komt, maar ik voel me alsof ik ontzettend verliefd ben op H. Hij is zo slank, zo sierlijk, zo natuurlijk en bescheiden. […] Als ik met H. zou kunnen samenleven, zou alles mogelijk zijn, zelfs de kuisheid.’”

Met deze Wellington LaVigne heeft Lodeizen maar een paar dagen echt kunnen vrij zijn – veel gestoei in een auto –, maar Lodeizen schrijft een gedicht op deze bevrijder:

Voor Hugh

In tuinen, duizelend van oneindigheid,
De avond, als cigarenrook, stijgt op
Tussen de stammen, een klein toneel
Spelen de bladeren, dan krakend
Onder de vingers worden zij toegesloten.
Mijn geliefde, mijn hart is bedroefd.

Herinner de kleine symphonie van onze vingers

In zijde, met satijnen schoenen en kant
O bloemen die de morgen gemaakt heeft
Rijp is de avond bronnen en wandelaars
Als de wind zegt: “ik zie je”, sluit
Je ogen en voel hoe ik bij je ben.
In tuinen, duizelend van oneindigheid.

Lodeizen bedient zich in Reis naar de Congo, geschreven vlak na WOII, van voor- en naoorlogse ideeën en beelden: volstrekt achterhaalde Freudiaanse ideeën over neuroses, oedipale neiging en vrouwelijke hysterie, nevens obsolete koloniale rassenverhoudingen, vinden hun bevrijding in een visioen van matrozen, jazz en vrijheid.

De ook voor 1948 achterhaalde maatschappelijke verhoudingen worden op een absurde en schijnbaar kinderlijke wijze overdreven. Zo eet de jonge ontdekkingsreiziger een “hand van een neger bij de avondboterham”! Een zeer wreed beeld, dat echter zó bespottelijk vrolijk en kinderlijk vanzelfsprekend verteld wordt, dat het niet anders dan een bespotting van racisme kan zijn, maar waaruit vooral het verlangen van Hans naar de zwarte man spreekt. – Men eet, wat men begeert. En dat ook in het “zondig groene” landschap van het oerwoud.

Reis naar de Congo is een van de weinige prozateksten van de dichter Lodeizen; het is een klein en fijn, expressionistisch, libidineus en fantastisch en hilarisch verhaal, geschreven op het breekpunt van de oude naar de nieuwe wereldorde. Dát moest ééns iemand voorlezen.

P.S. Een plaatje van of meer informatie over Hugh Wellington LaVigne zal de Nederlandse letterkunde met klaphandende vreugde begroeten!

“West-Vlaamse onderbuik”, na twee jaar

Terugblik op “West-Vlaamse onderbuik” na twee jaar.

Thomas Blondeau
Thomas Blondeau
Auteur: Michiel Hendryckx, 2013
Bron: Creative Commons, Wikipedia

Hee, hola! Het is alweer bijna twee jaar geleden dat ik je boek besproken heb! Thomas, je naam viel laatst weer in mijn huis en nu je voornamelijk bestaat in het ongekende hiernamaals, moet mij wel van het hart dat ik met zovelen van mijn zetel (ja, zetel, want ge zijt Vlaming) werd geblazen door uw overlijdensbericht. Het kwam door de radio, in het nieuws, na de piepjes, net een paar dagen nadat we een paar goede briefjes over je nieuwste boek “West-Vlaamse onderbuik” hadden uitgewisseld. – Ik had graag meer gedachten met u gewisseld. Afijn, voor u!

West-Vlaamse onderbuik
recensie: Thomas Blondeau – Het West-Vlaams versierhandboek

‘De Aander’ en ‘de dode Aander’ doorstromen het niet nader bepaalde geboortedorp van Raf Fauchery, beginnend schrijver en groot lijder aan het leven en de liefde. Om genezing te vinden van zijn zwaarmoedigheid reist Fauchery af naar dit oervlaamse oord en hoopt daar een ‘leuke roman over opgroeien’ te schrijven. Dit is het boek binnen het boek, het eigenlijke ‘Versierhandboek’. Dit boek binnen het boek beslaat echter maar een zesde van Blondeaus werk, de rest beschrijft Rafs belevenissen in het dorp.

Onderbuikgevoelens
Het dorp dat Fauchery aantreft, is net als hij van God en mensen verlaten: het is gekrompen tot enkele tientallen zielen in een naargeestige omgeving. ‘De huizen staan langs de hoofdstraat als moreneheuvels van opgeworpen baksteengruis.’ De meeste dorpelingen blijken zich overgegeven te hebben aan hun afkeer van de Walen, hun hunkering naar het bloeiende verleden en volgen de van vetzucht druipende dorpsleider Goeminne. In een poging het dorp te zuiveren en meer gemeenschapszin te kweken, streeft deze iconische vetklomp, deze vergaarbak van overtrokken Vlaamse onderbuikgevoelens, niet minder dan de volledige zelfvoorzienendheid na. Rond het dorpsmiddelpunt, de kroeg, groeien de gemelijkheden van de simpelen van geest, zoals ratten zich volvreten op de vuilnisbelt.

In dit godverlaten oord stijgt Rafs verlangen naar een buitenissige jonge vrouw. Langzaamaan vervlecht Fauchery in zijn versierhandboek-in-wording dit verlangen met de belevenissen in het dorp, waarna onvermijdelijk de dorpelingen zich keren tegen deze buitenstaanders.

Omarming of beknelling
Dat het zover moest komen, was te voorzien. Thematisch interessanter dan de confrontatie tussen dorpelingen en buitenstaanders echter is de uitwerking van het achterliggende dilemma in het gegeven ‘verlangen’: een idee of een leven willen delen en vasthouden, waarbij het gevaar dreigt dat het begint te knellen, te vervormen. Nieuwe liefdes genezen weliswaar zwaarmoedigheid en verlatenheid, maar blinde verslaafdheid dreigt als verlangen doorslaat in begeerte en bezit.

Dit dilemma blijft zorgvuldig onder de oppervlakte. Blondeau zal het zeker grondiger en beschouwelijker thematiseren in een volgend boek. In dit boek komt het ter sprake in een van de charmante bespiegelingen over Dantes liefdesidee, welke ‘obsessieve idealisering van de geliefde’, de verafgoding op afstand, de aanbidding voor Fauchery niet volstaat: hij wil de verwerkelijking in den vleze. Fauchery heeft dan ook typische mannenfantasieën, waarbij de vrouw dienstbaar is. Hoe Fauchery ‘in het echt’ handelt…

Begeerte
Onwennig of oorspronkelijk of hip mag de opbouw van dit boek heten: het rijgt kleinere en grotere hoofdstukken speels aaneen die in perspectief sterk verschillen, waarbij zelfs de voetnoot geestig meta-commentaar op het hele schrijfproces levert. Een van deze op zich staande gedachten, is hoofdstukje 55, dat het lot van de eenzame schrijver indampt tot een volkomen grimlachje:

Hier in deze kamer ben ik Schrödingers kat. Als ooit iemand de deur opent, zal het zijn om te controleren of ik nog leef. Tot die tijd is alles mogelijk.

Aforistisch en poëtisch is Blondeaus stijl, waarbij de noordeling zich en passant verrijkt met woorden als: kachtelen, bleiten, overklassen, opgefret en bemokkeld. Het Versierhandboek wil aanbevolen zijn in zijn hybride vorm en snelle gedachtewisselingen. Het brengt gepointeerd en welgeformuleerd beeldende bespiegelingen en laat de lezer achter met een vergezicht op wat de man drijft: verlangen en begeerte naar ‘de ander’.


Uitgever: De Bezige Bij
Prijs: 18,90
Bladzijden: 256
ISBN: 9789023477815
11026-thomas-blondeau-het-west-vlaams-versierhandboek-c.jpg

Deze recensie is verschenen op:

West-Vlaamse onderbuik

Stilte-implantatie

Kort verhaal over medisch experiment met gehoorimplantaat: de arts vraagt zich af, wat stilte is.

Meer dan stuitend is het en bovenal een duidelijke aanwijzing voor wijdverbreide denkzwakte dat stilte keer op keer gezien wordt als het ontbreken van geluid, terwijl niemand, ook geboren doven niet, ooit zoiets kan hebben ervaren, nu het brein altijd en altijd, van het eerste moment dat de vonkjes overspringen, elke prikkel van het gehoororgaan als geluid zal uitleggen, zelfs dan als het trommelvlies in strikte zin niét door geluidsgolven is beroerd, maar de haarcellen in het slakkenhuis wél in beweging komen, bijvoorbeeld door een dreun op de schedel, dacht kno-arts Reint, terwijl hij het juiste gehoorimplantaat, een cochleair, uitzocht voor zijn volgende patiënt, en een potlood messcherp sleep.

Het zijn ook vooral die gevallen waarin het aanbod van prikkels zodanig terugvalt dat men van sensorische deprivatie spreekt, welk gebrek in en door de auditieve cortex “goedgemaakt” wordt door tóch te vonken al wordt er niets gehoord, waardoor iemand toch iets hoort, zij het niet door lucht overgebracht “geluid”.

Zoals de robotarm boven een lopende band in het luchtledige haar graaiende aanbod blijft herhalen, al komt er niets meer voorbij om vast te pakken: taak is taak en taak zal uitgevoerd. Zo dus, omdat die hersengebiedjes daarvoor willoos ontworpen zijn, omdat ze hun taak doen, omdat ze niet anders kúnnen in hun staat van zijn.

Het is niet eens leven in de verbeelde werkelijkheid; het non-sensorische wordt werkelijk verbeeld. De vraag is niet, of dit klopt; de vraag is: hoe breed is de bandbreedte van wat intersubjectief nog werkelijkheid heet? Waar begint de gekte?

Een niet eerder voorbij gekomen vraag begon aan Reint te knagen: hoe nu als deze hersengebieden helemaal niet aangelegd zijn… Strikt genomen was dit geen vraag die hij zich hoefde te stellen, nu dit eerder het werk van een jong breinonderzoeker was, en niet van een arts met vaste aanstelling, maar nieuwe gegevens zouden toch veel nieuw onderzoeksgeld vrijmaken.

Stilte is het onbewust niet-waarnemen van in bepaalde contexten betekenisloze geluiden. Zoals de foetus prettiger slaapt als hij de hartslag hoort van het moederdier. Zoals bedgenoten lepeltje- lepeltje saampjes kunnen snurken als kozende marmotten die holen bouwen, terwijl een buitenstaander wég zou lopen, bij al dat gebrompiepknor.

Maar wat als op die auditieve hersengebieden een lobotomie werd uitgevoerd? Wegens de plasticiteit van het brein moest zoiets toch straffeloos mogelijk zijn!, dacht Reint helder in de stilte van de kamer. Dit vermogen van de hersenen om taken in andere hersenhelften te laten uitvoeren is ongekend en vooral ongekend groot. Deze gedachte was aantrekkelijk en verleidelijk, zoals de bergklimmer speelt met aantrekkelijkheid van het gevaar om te vallen, om bewust over de rand heen te stappen omdat het uitzicht hem opzuigt.

Of nu Reint zelf bewust of onbewust de schedel te diep aanboorde, toen het inwendige gedeelte van het cochleair implantaat werd aangebracht, waardoor de achterliggende gehoorzenuw en omringend hersengebied voorgoed uitgeschakeld werden, viel niet te zeggen: operaties brengen altijd risico met zich mee, verklaarde Reint, én, tikte, tikte met zijn potlood op het tafelblad.

 

 

Zonder taal gaat het niet

Het academisch talenonderwijs is van grote, culturele en dus ook economische waarde.

Onderstaand in de Mare op 2 april 2015 ingestuurd opiniërend artikel is mijn antwoord op de vragen die de beweging “De Nieuwe Universiteit” inzake het talenonderwijs opwierp.

Universiteiten vergeten in hun onleesbare instellingsplannen vol muisgrijs uitzendbranchejargon het enorme belang van talenonderwijs, schrijft Emile van Brakel. Hoog tijd voor eerherstel, of zo u wilt, hervalorisatie.

Wat is er over van de academische geest die de gemeenschap intellectueel aanvuurt, en waarin bijvoorbeeld een student rechten colleges Frans volgt omdat hij zich wil verrijken? Die geest is allang weggevlogen. Nederland is bij goed (middelbaar) onderwijs gebaat, omdat niet alleen in de handel, maar ook in de wetenschap talenkennis waardevol is: de Duits- en Franstalige wetenschapswereld is een andere dan de Engelse.

Spandoek Maagdenhuis
“Laat de Talen niet verschralen!”
Maagdenhuisbezetting, 2015.
Auteur: eigen werk

Toch daalt het niveau in alle talen, waaronder het Nederlands, al decennia lang. Het daalt en daalt en daalt tot in blatant nihilisme. Sommige scholen bieden de vakken Frans en Duits niet meer aan bij gebrek aan leerkrachten. Het is tijd om deze vakkrachten, een ‘product’ van geesteswetenschappen, te herwaarderen en dit tot uitdrukking te laten komen in een slimmere onderwijsfinanciering. Het is bovendien noodzaak dat door het hele land de klassieke studierichtingen Duits en Frans blijven worden aangeboden.

Universitaire bestuurders zijn gebonden aan zogenoemde instellingsplannen. Dit zijn onleesbare documenten in muisgrijs uitzendbranchejargon. Het Universiteit Leiden Inspiratie en Groei Instellingsplan 2010 ‐ 2014 spreekt over ‘proactief academisch ondernemerschap’ waarin men moet ‘zoeken naar mogelijkheden om de baten te vergroten’. De UvA stelt in het instellingsplan Oog voor Talent dat zij ‘van alle wetenschappelijke medewerkers verwacht dat zij extern acquireren’.

Hierin schuilt een probleem voor bepaalde onderwijsrichtingen voor welke er niet goed een andere financiering denkbaar is dan de publieke eerstegeldstroom. Er zijn vele universitaire producten die niet direct vermarktbaar zijn: op het octrooi van de Senseo kun je geld vangen, geen bedrijf echter zal ooit een cent neerleggen voor een leraar. Zijn zulke producten daarom meteen niet – het grote toverwoord! – valoriseerbaar? Neen natuurlijk niet! Er zijn heel veel zaken die je niet kunt verkopen op de markt, maar die toch van grote waarde zijn, omdat de markt zelf niet buiten hen kan bestaan. Zonder taal gaat het niet.

De minister van Onderwijs ziet dit ook in, getuige haar brief aan de Tweede Kamer van 3 maart jongstleden: ‘De waarde van een (kleine talen-)opleiding staat […] niet gelijk aan het aantal studenten dat een opleiding volgt.’ Om vervolgens te stellen dat het aan de lokale besturen is om beslissingen te nemen: ‘Juist om het instellingbeleid niet afhankelijk te maken van het aantal studenten per opleiding, biedt de huidige lump sumfinanciering instellingen de ruimte om de middelen in te zetten waar ze het hardst nodig zijn.’

Maar waar is dat dan? De beslissing blijft vooralsnog uit.

Al in februari 2013 schreef de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in de kritische reflectie Effecten van universitaire profilering en topsectorenbeleid in de wetenschap in Nederland: ‘In de prestatieafspraken staan beloftes voor toekomstige opleidingsrendementen. […] De consequenties hiervan zijn op dit moment nog niet te overzien, maar een maatschappelijk ongewenst effect kan zijn dat in bepaalde vakgebieden onvoldoende leraren worden opgeleid.’

Het wordt tijd om in te zien dat het handhaven van het onderwijsniveau door de zelfstandigheid van studierichtingen als Duits, Frans, of Italiaans te garanderen, op rijksniveau bezien, werkelijk niets kost. Dit temeer omdat het blijven aanbieden van de klassieke studierichtingen, het vormen of aanbieden van andere, studierichtingen-doorsnijdende curricula niét in de weg staat. Met de KNAW wil ik de minister en haar beleidskaders vooral op het hart drukken, niét het beproefde kind met het badwater weg te gooien. Excellentie, garandeert u de expertise!

Het is de hoogste tijd dat de waarde van het gehele talenonderwijs, met name van Frans en Duits, opnieuw wordt vastgesteld, gehervaloriseerd zo u wilt. Ten eerste omdat onze kinderen geen direct vermarktbaar product afnemen, maar een taal en cultuur deelachtig willen worden. Ten tweede omdat hernieuwd niveau, elan, samenhang en opbouw van het gehele talenonderwijs, van het primaire niveau af, de bitterste noodzaak is.

Als de minister besluit om nóg verder geografisch af te slanken door nog maar op een of twee plaatsen Duits of Frans aan te bieden, betekent dit dat het academisch leraarschap voor deze schoolvakken wordt opgegeven, omdat met geen mogelijkheid aan de landelijke behoefte aan vakbekwame vwo- leraren kan worden voldaan. Dán worden pre-academici nog alleen maar onderwezen door non-academici. Dat wil Nederland niet.

Academisch gevormde talenstudenten zijn de fine fleur, achter wier bestaan vele mensen, oneindig veel cultuurgoed en daarmee ook grote economische activiteit schuilt, die zich weliswaar niet direct toont, maar tegelijkertijd onvervangbaar is. Niemand weet precies wat de waarde van een leraar Frans of Duits is die jarenlang les geeft, omdat niemand kan zeggen wat alle leerlingen gaan doen.

Wel weet ik dat zo’n leraar een steeds grotere zeldzaamheid is geworden.

Emile van Brakel schrijft zijn letterkundig proefschrift in het Duits, denkt mee met De Nieuwe Universiteit Leiden en heeft enkele jaren in het middelbaar onderwijs als leraar gewerkt.

Gepubliceerd op: http://www.mareonline.nl/archive/2015/04/01/opinie-zonder-taal-gaat-het-niet