Dehmels godsnacht

Richard Dehmels dichtbundel “Weib und Welt” verbond seks met godsdienst. Het gedicht “Verklärte Nacht” is geen lofzang op een burgerlijke huwelijksmoraal maar op goddelijke zinnelijkheid.

De bundel Weib und Welt. Gedichte und Märchen (Vrouw en wereld. Gedichten en sprookjes) van Richard Dehmel verscheen in 1896, in de belle époque, het fraaie tijdperk zogezegd. Hij biedt dan ook verfrissend veel fraais, zelfs zó veel fraais dat ook nog tegenwoordig sommigen er schande van zouden spreken.

Richard Dehmel (bron: Wikipedia Commons)

Wat denkt de huidige lezer van het begingedicht Der tote Hund? Het gedicht dient zich aan als een apocrief evangelieverhaal over een dode hond, welks stinkende kadaver door Jezus opgeraapt wordt. De Heiland die dode diertjes van de weg opraapt? Wat denkt de lezer van Das Kind waarin een peuter opgeroepen wordt om zijn speelgoed kapot te maken, waarbij zelfs God in de lach zou schieten?

Wat doet de lezer met het door Dehmel opgeroepen, zeer ongebruikelijke vrouwbeeld? Vampieressen, zondaressen, nymfomanen en normenschendende kindvrouwtjes! Vrouwen, voor wier verschijning een verstandig man zou wegduiken, ware het niet dat hij ze begeert. Het gedicht – een willekeurige keuze – Mannesbangen (Mannenvrees) spreekt over de minnares in wier lendenen de man wel kan liggen, maar zodra zij haar klauwen door zijn haar strijkt, zo waarschuwt het gedicht, dan… Afijn, de lezer weet, die man is voer voor de kat.

Op erotiek drijft de bundel, in een eigentijdse gothicstijl: nu eens zwaar zwelgend, dan weer licht lillend. In bijvoorbeeld Ins Weite spreekt Dehmel van “manna van de grenzeloze nacht” en “het kwellend verlangen van wei, woud en wolkendek”. Dehmel bezingt tamelijk onverholen en ontegenzeggelijk subliem de vrouwelijke schaamstreek, het opperwezen alsmede de duivel.

Vanwege dit duistere, maar toch directe benoemen van god en seks oordeelde het Pruisische Landsgerecht in 1897 dat het gedicht Venus Consolatrix (Troosteres Venus) godslasterlijk en onzedelijk was, en bijgevolg gedeeltelijk gezwart moest worden. In dit gedicht biedt Maria Magdalena haar ontblote geslachtsdeel aan als rustplaats, hét vlees dat Christus zelf begeerd zou hebben, aldus het gedicht. Kijk, zoiets doet nu ook nog bij sommigen de wenkbrauwen rijzen. Overigens, wellustig is Dehmel in deze bundel veelal, vunzig of plat nooit.

Gekuiste concerten
Dankzij Arnold Schönbergs strijksextet uit 1899 is het gedicht Verklärte Nacht uit deze bundel niet de vergetelheid ten prooi gevallen, zoals bovenstaande gedichten wel. Tot aan het einde van de twintigste eeuw werden in de programmaboekjes van concerten gekuiste versies van het gedicht afgedrukt, zodat niet duidelijk was dat het gedicht naast de opbloeiende liefde ook de vleselijkheid en de godsdienst bezingt, waarbij haast en passant een buitenechtelijk kind geëcht wordt.

Door deze zelfcensuur werd Dehmels gedicht zélf mooier gemaakt, verklärt, wat wel de rust tijdens concerten, maar niet de inhoud ten goede kwam. Het gedicht is zo, op wens en ten behoeve van burgeroortjes “mooi en stralend verklaard en verlicht”, want het benoemen van vleselijkheid en godsdienst in een zin zorgt maar voor ongemak.

Zo werd bijvoorbeeld het woord “Lebensfrucht” vervangen door het zakelijke “Lebensinhalt”, waarmee elke gedachte aan Maria, de moeder Gods, met een pennenstreek weggeveegd werd. – Christus heet immers de gezegende vrucht uit Maria’s schoot, benedictus fructus ventris.

Dehmels soms bewust archaïsche woordkeus ondersteunt ongewild de neiging van de huidige lezer om de inhoud mooier op te vatten, onschuldiger te maken dan hij is. De onvoorbereide lezer leest op het eerste gezicht fraaie, oude, dichterlijke woorden; de daarin besloten sterke toespelingen op  godsdienstoefening in samenhang met vleselijkheid ontgaan hem.

Dehmels quasi-religieus, mystiek of plechtstatig taalgebruik is bewust ingezet. Het is niet zomaar “mooi”, het is functioneel. Een duidelijk voorbeeld staat meteen in het begin: “Hain” is dichterlijk en plechtig voor heilige bosjes, voor “hagen”. Denk in het verband der Lage Landen aan hagenpreken. Enige heidense mystiek (of sprookjesachtige Olivier Bommel-sfeer!) schuilt in de maan die zich over “hohe Eichen” en “schwarze Zacken” (onderscheidenlijk: hoge eiken en zwarte boomkruinen) heen spoedt.

Franz von Stuck, 1893: De zonde.
(bron: Wikipedia Commons)

Flirtende bekentenissen
De bekentenis van de vrouw (of is het een bakvis?) volgt in potsierlijk Bijbelse woorden, in deels geveinsde ootmoed. Zo klinkt bijvoorbeeld het ongebruikelijke werkwoord “sich erfrechen” in dit verband uiterst koddig, wegens zijn statenbijbels karakter. Letterlijk staat er “zich ver-ruwen” of “zich ver-botten”; het wil de vermetelheid vatten om iets ongepasts te verrichten. Dat is ook waarom “zich verstouten”, mede dankzij de wederkerigheid, goed past. De vrouw moet wel in grote vreze zijn! Der maatschappij toorn en hoon zal op mij zijn! O, help mij toch! – Deze biecht lonkt, met en in haar onzedelijkheid.

De man lijkt in eerste lezing louter opofferingsgezind ten behoeve van de huwelijksmoraal, maar blijkt in tweede lezing – hoe kon het ook anders – dit niet te zijn. Uit de verzuchting van de vrouw bleek al dat de twee elkaar pas kortgeleden hebben leren kennen: “…en nu, nu heb ik jou ontmoet!” De opwinding van het eerste contact vindt nu haar uitweg en de man wil seks. Daartoe stelt hij haar allereerst gerust, op een weliswaar rituele, maar ook zeker gratuite wijze: onze wederzijdse warmte zal het kind doen stralen en verheffen! – Wie zo gemakkelijk beloften maakt, verdient wantrouwen.

Zeker aangezien “Verklärung” de term voor de tenhemelopneming van Christus en Maria is. De ongehoorde vraag stelt zich bijna of dit nu niet de belofte is om de ongeboren vrucht snel naar de volgende wereld te helpen..! Dat lijkt wat al te dol gedacht, maar enigszins ijdel is de belofte van de man zeker: al in de zinsnede “jij hebt zelf de glans in mij gebracht” schuilt seksuele opwinding, waaraan de man wél willoos móet toegeven: “Jij hebt mijzelf tot kind gemaakt.” – De opgewonden man kwijlt als een hongerige hond.

Dehmels bundel “Vrouw en wereld” biedt naast seks en godsdienst met gevaarlijke vrouwen ook veel draken: draken van gedichten! En dat mag vóór Dehmel spreken: hij experimenteert, hij durft. Vaak doet Dehmels hang naar de vergeestelijking, de sublimatie, maar ook de verbinding van het zinnelijke met het goddelijke denken aan het werk van de Tachtigers:  “Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten […] úwe lippen in een wilden vloed van kussen…” (Willem Kloos).

Dehmel is stoutmoediger: de heerlijk verzinnelijkte nacht is een lofzang op de vleselijke liefde, die de dichter goddelijk noemt. En, misschien is alles wel goed gekomen met de twee en zijn ze getrouwd, met een geëcht kind, zodra de lust bekoeld was. – Het waren wilde nachten in 1896.

Hierna volgt mijn vertaling die is gemaakt voor de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam 2018. Als een volgend orkest ze wil gebruiken in de programmaboekjes, wil ik daarvoor toestemming geven, mits mijn naam als vertaler volgt.

Verlichte nacht

Twee mensen gaan door kaal, kil woud;
de maan loopt mee, hun blik beschouwt.
De maan loopt over hoge eiken,
geen wolkje omfloerst het hemellicht,
waarin de zwarte kruinen reiken.
Er spreekt een vrouwengezicht:

Ik draag een kind, en niet van jou,
ik loop in zonde naast jou.
Ik ben mijzelf zwaar te buiten gegaan;
ik geloofde niet meer in geluk
toch hield een diep verlangen aan
naar levensvrucht, naar moedergeluk
en plicht – toen heb ik mij verstout,
liet mijn schaamte huiverend boud
bevoelen door een man zonder naam
én heb mij geprezen en gezoet.
Nu heeft het leven zich gewroken,
nú heb ik jou, o jou ontmoet.

Zij loopt met onbeholpen tree,
zij kijkt omhoog, de maan loopt mee;
haar donkere blik verdrinkt in licht.
Er spreekt een mannengezicht:

Het kind dat jij hebt gekregen,
wees hem onbezwaard toegenegen,
en zie, hoe helder het heelal schittert!
Het grote Al glanst om ons twee,
jij drijft met mij op koude zee,
maar een eigen warmte glinstert
van jou in mij, van mij in jou;
het vreemde kind zal met licht verkoren,
uit jou, voor en van mij, worden geboren,
jij hebt de glans in mij geraakt,
jij hebt mijzelf tot kind gemaakt.

Hij pakt haar bij de stevige dij
in de lucht mengt zich hun adem vrij,
twee mensen gaan door helverlichte nacht.

Verklärte Nacht

Zwei Menschen gehn durch kahlen, kalten Hain;
der Mond läuft mit, sie schaun hinein.
Der Mond läuft über hohe Eichen,
kein Wölkchen trübt das Himmelslicht,
in das die schwarzen Zacken reichen.
Die Stimme eines Weibes spricht:

Ich trag ein Kind, und nit von dir,
ich geh in Sünde neben dir.
Ich hab mich schwer an mir vergangen;
ich glaubte nicht mehr an ein Glück
und hatte doch ein schwer Verlangen
nach Lebensfrucht, nach Mutterglück
und Pflicht – da hab ich mich erfrecht,
da ließ ich schaudernd mein Geschlecht
von einem fremden Mann umfangen
und hab mich noch dafür gesegnet.
Nun hat das Leben sich gerächt,
nun bin ich dir, o dir begegnet.

Sie geht mit ungelenkem Schritt,
sie schaut empor, der Mond läuft mit;
ihr dunkler Blick ertrinkt in Licht.
Die Stimme eines Mannes spricht:

Das Kind, das du empfangen hast,
sei deiner Seele keine Last,
o sieh, wie klar das Weltall schimmert!
Es ist ein Glanz um Alles her,
du treibst mit mir auf kaltem Meer,
doch eine eigne Wärme flimmert
von dir in mich, von mir in dich;
die wird das fremde Kind verklären,
du wirst es mir, von mir gebären,
du hast den Glanz in mich gebracht,
du hast mich selbst zum Kind gemacht.

Er faßt sie um die starken Hüften,
ihr Atem mischt sich in den Lüften,
zwei Menschen gehn durch hohe, helle Nacht.

Kants antinomieën

Over en na het tekortkomende menselijke kenvermogen

Het tweede deel van Kants Kritik der reinen Vernunft legt de innerlijke tegenstrijdigheden van het menselijke weten, zogenaamde antinomieën bloot.

Het betoogt onder andere dat het menselijke bevattingsvermogen zichzelf beperkt door zichzelf, omdat de door dit vermogen bevatte en begrepen kennis voortbouwt op a priori-kennis, eerdere oordelen en afgeleide aannamen, waardoor nooit geheel en al geweten worden kan, wat de te kennen werkelijkheid of onwerkelijkheid is of zal zijn, noch in kwaliteit, noch kwantiteit.

Kants observatie van deze antinomieën pleit naar mijn idee juist vóór het in het door kennisstreven bevlogen menselijke kenvermogen op grond van kritisch empirisme en rationele falsifieerbaarheid, omdat – dit is het punt – zulk kenvermogen zich bewust is van de eigen beperking. Het niet-weten wordt geweten. Dat mag “zuivere rede” heten.

Immanuel Kant, staalgravure door J.L. Raab

Immers, wat zou anders achter de vraag naar inhoud der begrippen “nooit en al” in verbinding met “werkelijkheid en onwerkelijkheid” moeten schuilen dan de aansporing tot nieuwsgierigheid naar hun veranderende betekenis, nu enige tegenstelling in die begrippen vals is? Het is alleen dit besef, dat de beperking van het bevattingsvermogen te vaak overzien wordt, te vaak ervaren wordt als beperking, terwijl zij een aansporing is om te denken in ongedachte en toch zo nauwkeurig mogelijk omschreven mogelijkheden.

Een citaat uit Kritik der reinen Vernunft dat het principiële uitgangspunt van Kant illustreert: „… Aber wie weit sich die transzendentale Teilung einer Erscheinung überhaupt erstrecke, ist gar keine Sache der Erfahrung, sondern ein Principium der Vernunft, den empirischen Regressus, in der Dekomposition des Ausgedehnten, der Natur dieser Erscheinung gemäß, niemals für schlechthin vollendet zu halten.“ * —

…Maar hoever de transcendentale deling van een verschijnsel in het algemeen zich voortzet, is helemaal geen ervaringskwestie, maar een principe van de rede, om de empirische regressus [het terug vervolgen volgens wetenschappelijk bewijsbare en herhaalbare voorwaarden], in het ontrafelen van het uitgestrekte, naar de aard van de natuur van het gegeven [en te onderzoeken] verschijnsel, nooit voor zomaar beëindigd te houden.

* (bron: Immanuel Kant, Kritik der reinen Vernunft¸Berliner Ausgabe, Herausgeber Michael Holzinger, 2013, blz. 308.)
Link: http://www.zeno.org/Lesesaal/N/9781484032114?page=308

Mutti not amused

Böhmermanns hekeldicht voor Nederlanders

Jan Böhmermann is de Duitse Arjen Lubach: beiden presenteren een televisieshow waarin de grenzen van meningsvrijheid met kraaiend plezier onderzocht en bereikt worden. Donderdag 31 maart jl. maakte Böhmermann een nieuwe aflevering van ZDF NEO MAGAZIN ROYALE waarin hij een smaaddicht op de Turkse president Erdogan voorlas wegens diens ondemocratische regeerstijl en bovenmatige gevoeligheid voor kritiek.

Böhmermann op Erdogan
Naar aanleiding van dit smaaddicht deelde de persvoorlichter der Bondsregering op 4 april kort mee dat Merkel heeft gebeld met haar ambtsgenoot in Turkije. Beiden zouden het er eens over zijn geworden dat het ging om “bewust kwetsende teksten”, waarbij de bondskanselier wees op het feit dat de betreffende omroep al zijn consequenties getrokken had.

Het ZDF heeft inderdaad het hekel- of smaaddicht uit de online omroeparchieven verwijderd en heeft daarmee zelfcensuur toegepast, maar de vraag blijft of nu de redactie van het ZDF voor de Duitse regering buigt, of wellicht de Duitse regering voor de misnoegde reacties uit Ankara.

Dat het hier gaat om een opzettelijk gespeeld spel zijdens de redactie van het ZDF NEO MAGAZIN ROYALE ligt voor de hand: het is niet aannemelijk dat zij een justitieel onderzoek wegens belediging van een bevriend staatshoofd afwacht of een openbaar debat over publiek betaalde betamelijkheid, gelet op die ene en voornaamste internetwet dat alles wat je in het web gooit, daar blijft. — Altijd, ergens. De redactie kon ervan uitgaan dat iemand, ergens een kopietje zou maken.

Met juridische slimheid en retorische gevatheid droeg Böhmermann het gedicht voor als een ter plekke uitgevoerd onderzoek naar de grens tussen politieke satire en smadende kritiek. Het eerste is in elk geval grondwettelijk beschermd, het laatste zou — dat is de vraag — wellicht buiten deze bescherming vallen. Het eerste zou daarom wél, het tweede niét tot de opdracht van publieke omroepen behoren. De vloeiende grens tussen politieke satire en hekeldicht werd onlangs naar het oordeel van Erdogan overschreden in het liedje Erdowo, Erdowan, Erdogan, waarna de Duitse ambassadeur in Turkije ter verantwoording werd geroepen.

Hieronder volgt een losse vertaling van dit steentje des aanstoots. Het Duitstalige origineel volgt daarna.

Smadende kritiek
Dom, stom en laf, kurk in de kont,
loopt Erdogan als president in het rond.
Zijn geleuter stinkt enorm naar kebab,
Zelfs varkensstront ruikt beter dan die grap.

Hij is de man die graag meisjes slaat,
en daarbij zelf in latexmaskers staat.
Het liefst wil hij de geiten neuken,
en dan wat minderheden beuken,

Koerden kwellen, Christenen kastijen,
kinderpornootje d’rbij, om zich op te rijen.
Zelfs ’s avonds wil hij niet slapen,
maar fellatio met honderd schapen.

Ja, Erdogan is absoluut, geheel en al,
president met een bijzonder klein geval.
Elke Turk heeft het nieuwe lied al gefloten,
over de domme hond met de dorre kloten.

Van Ankara tot Istanboel is het idee,
deze man is zonder dollen supergay.
Een vlooienbaal, pervers en zoöfiel,
noem hem gerust: Recep Fritzl Priklopil*.

Het hoofd leeg, de ballen zonder zaad,
een ster die naar elke gangbang gaat,
tot zijn pik vol zweren leert: impotent.
Dat is Recep Erdogan, de Turkse president.

* Recep Fritzl Priklopil is een verhaspeling, waarin de voornaam van de Turkse president met de achternamen van twee beruchte zedenschenders wordt samengevoegd: Josef Fritzl en Wolfgang Priklopil.

Schmähkritik
Sackdof, veige und verklemmt,
ist Erdogan der Präsident.
Sein Gelöt stinkt schlimm nach Döner,
selbst ein Schweinefurz riecht schöner.

Er ist der Mann der Mädchen schlägt,
und dabei Gummimasken trägt.
Am liebsten mag er Ziegen ficken,
und Minderheiten unterdrücken,

Kurden treten, Christen hauen,
und dabei Kinderpornos schauen.
Und selbst abends heißt’s statt Schlafen
Fellatio mit hundert Schafen.

Ja, Erdogan ist voll und ganz,
ein Präsident mit kleinem Schwanz.
Jeden Türken hört man flöten,
die dumme Sau hat Schrumpelklöten.

Von Ankara bis Istanbul,
weiß jeder dieser Mann ist schwul,
pervers, verlaust und zoophil:
Recep Fritzl Priklopil.

Sein Kopf so leer, wie seine Eier,
der Star auf jeder Gang-Bang-Feier.
Bis der Schwanz beim Pinkeln brennt,
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident.

Bronnen:
– Het weggekuiste fragment:
http://www.liveleak.com/view?i=932_1459531349
– De verklaring van de persvoorlichter inzake het hekeldicht: https://www.bundesregierung.de/Content/DE/Mitschrift/Pressekonferenzen/2016/04/2016-04-04-regpk.html
– De Frankfurter Allgemeine Zeitung:
http://www.faz.net/aktuell/politik/ausland/europa/tuerkei/angela-merkel-haelt-boehmermanns-erdogan-gedicht-fuer-verletzend-14160031.html
– Die Welt:
http://www.welt.de/politik/ausland/article153972141/Merkel-spricht-mit-Davutoglu-ueber-Boehmermann.html– Tagesspiegel:
http://www.tagesspiegel.de/politik/praesidentenbeleidigung-im-zdf-wer-angst-vor-pointen-hat-sollte-keine-witze-senden/13394378.html

Nagekomen bericht: Na publicatie van deze vertaling maakte de Tagesspiegel bekend dat het Openbaar Ministerie te Mainz een onderzoek naar een strafrechtelijke vervolging van Böhmermann instelt wegens belediging van een bevriend staatshoofd. Pikant is daarbij dat de bondskanselier de teksten nu al als “bewust kwetsend” heeft bestempeld, waarmee zij een juridische afweging maakt. Tegelijkertijd echter benadrukte zij de grondwettelijk gegarandeerde meningsvrijheid.

Ik verwacht niet dat de persoon Böhmermann uiteindelijk strafrechtelijk wordt vervolgd: de achterliggende maatschappelijk-juridische vraag naar de wat binnen de grondwettelijk omschreven opdracht van “openbare omroepen” is namelijk formeel het kader én het thema van de scène waarbinnen het gedicht voorgedragen werd. Deze vraag wilde Böhmermann hardop stellen naar aanleiding van de nu in Duitsland steeds breder gedragen behoefte aan publieke omroepen, die op grotere afstand staan van politieke leiding.

De zeer populaire Böhmermann heeft niet zomaar een scheldkanonnade voorgedragen, maar een tekst voorgelezen die hij introduceerde als een onderzoek naar de satirische reikwijdte van wat op publieke zenders gezegd mag worden; het was naar de vorm een speels onderzoekje naar en commentaar op het door politici terloops geformuleerde verschil tussen satire en hekeldicht, in het internettijdperk.

Formeel ontbreekt daarmee het oogmerk om te beledigen, maar is het een kritische kunstuiting, die allereerst beoogt een bijdrage te leveren aan het debat over een nieuw te regelen omroepvrijheid in Duitsland, waarbij en passant de niet te loochenen autoritaire regeringsstijl van Erdogan bekritiseerd wordt in overduidelijke hyperbolen (“fellatio met honderd schapen”). Voor zulke uitingen geldt de exceptio artis (de juridische uitzondering van en voor de kunst), eveneens grondwettelijk beschermd, waarom naar verwachting een daadwerkelijke strafrechtelijke vervolging, laat staan veroordeling, niet zal slagen.

Schmidts Visionen, Ruttes visie

Schmidts Visionen waren niet Ruttes visie.

Oud-bondskanselier Helmut Schmidt, een breed ontwikkelde mens met hart, mond en intellect, staatsman en liefhebbende echtgenoot, kortom een “mensch” in elk opzicht, is op 10 november jongstleden overleden. Enkele uren na zijn dood meldt de NOS dat Schmidt eens verklaarde dat “mensen met een visie naar de dokter moeten” – blijkbaar de vertaling van de aan Schmidt toegeschreven uitlating “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen.”

Hee, dat ken ik! Nederland vernam in 2013 van zijn eerste minister soortgelijks, toen deze op de H.J. Schoo-lezing verklaarde dat “visie als de olifant is die het uitzicht belemmert”. De onvermijdelijke verbinding van beide uitspraken die de lezer in de Nederlandse context maakt, werpt de vraag op: waren Schmidts “Visionen” hetzelfde als de door Rutte ongewenste “visie”? Het antwoord is een duidelijk neen! Wat haalt de NOS zich toch allemaal in het kopje om zulke anachronistische vergelijkingen op te schrijven? Waarom?

Wat zei de heer Schmidt dan wél precies en hoe is die uitspraak te begrijpen? Dat heeft ook het Duitse St.-Ursula-Gymnasium in Attendorn zich in 2009 afgevraagd. Het schreef de heer Schmidt een brief, die iedereen kan aanklikken in het wereldwijde web, en de heer Schmidt antwoordde bondig.

De school vraagt Schmidt of het klopt dat hij “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” heeft gezegd. Kunt u zich dat nog herinneren, geachte heer Schmidt? In welke context? En is het nog steeds van toepassing op politici? Het korte en duidelijke Schmidtiaanse antwoord: Nee, ik kan het mij niet meer goed herinneren; het sloeg in elk geval niet op Willy Brandt. Het citaat komt waarschijnlijk wel van mij, maar ik weet niet meer in welke context ik mij over “Visionen” heb uitgelaten. En ja, het is nog steeds van toepassing op politici.

Source: Verteidigungsminister Helmut Schmidt Author: Bundeswehr-Fotos Wir.Dienen.Deutschland. © Bundeswehr/Archiv

Volgens het tijdschrift Der Spiegel zou Schmidt dit tijdens de verkiezingsstrijd van 1980 over zijn toenmalige tegenstander Willy Brandt gezegd hebben. De vroegste vermelding van het citaat is echter pas in 2002 te vinden en niet in 1980. Het zou dus zomaar kunnen zijn dat De Spiegel de uitspraak Schmidt in de mond legt. Het kan ook zijn dat Schmidt iets dergelijks heeft gezegd, maar een citaat zonder directe bronvermelding is niet zo sterk, en zelfs dan niet als de vermoedelijke bedenker zich meent te herinneren dát hij zoiets gezegd heeft, want mensen, en politici bij uitstek!, zeggen heel, heel, heel veel en kunnen zich na 22 jaar zeker niet alles precies herinneren.

Maar dan het belangrijkste punt! Wat betekent dit vermeende citaat? Wat staat hier? Er staat niét, ik herhaal, er staat niét dat mensen met een visie naar de arts moeten gaan. Weliswaar kan een “Vision” een toekomstvisie zijn, maar dan toch vooral van mensen die bevangen worden door droombeelden. Enerzijds vallen onder “Vision” letterlijk en overdrachtelijk vertekende beelden, namelijk hallucinaties door ziekte of bovennatuurlijke verschijningen, anderzijds kan het een toekomstbeeld volgens bepaalde maatschappelijke verwachtingen inhouden. Het woord “Vision” dekt dus zowel de begrippen “visioen” als “toekomstvisie”, maar heeft zelden een neutrale betekenis waar het woord “Zukunftsbild” zich aandient. Bovendien duidt het meervoud eerder op “visioenen”.

De Duitse zin betekent dan ook: wie waan- of droombeelden heeft, moet naar de dokter.

Dat de NOS niet binnen een paar uur op deze nuance kan komen, zij haar vergeven! Dat zij nog onrijpe geestesvruchten op het web zet, niet. Het is inadequaat om Schmidt met terugwerkende kracht eenzelfde uiting te laten doen als Rutte: de tijden zijn niet alleen anders, de uitlatingen verschillen inhoudelijk.

Schmidt zelf oordeelde zelf in 2010 in Die Zeit dat de vermeende uitspraak “eine pampige Antwort auf eine dusselige Frage” was – een lomp antwoord op een vage vraag. Reden te meer om een vermeend citaat zónder duidelijke bronvermelding, niet op te nemen; zeker niet in een onnauwkeurige vertaling, die een verkeerd tijdsbeeld oproept.

Actualisering 14 januari 2018: Zijne Excellentie de mp plaatst in het tv-programma Buitenhof zijn visie-uitspraak in het kader van de tegenstellingen uit de jaren zeventig en wijst erop dat hij wel degelijk een visie heeft. Over een artsenbezoek laat de mp zich niet uit. Na drie minuten:   https://www.vpro.nl/buitenhof/speel~VPWON_1283462~mark-rutte~.html 


Bronnen:
1. Het NOS-bericht “Helmut Schmidt: gerespecteerd als der Macher”:
http://nos.nl/artikel/2068254-helmut-schmidt-gerespecteerd-als-der-macher.html
2. Het Sint-Ursula Gymnasium schrijft een brief aan Helmut Schmidt:
http://sowi.st-ursula-attendorn.de/tp/tpsmid01.htm
3. De eerste vermelding van het citaat in Der Spiegel:
http://www.spiegel.de/spiegel/print/d-25554378.html
4. Helmut Schmidt overpeinst het slechte antwoord:
http://www.zeit.de/2010/10/Fragen-an-Helmut-Schmidt/seite-4

Relevante tekstpassages uit bovengenoemde bronnen:
1. NOS-bericht:
‘Protestpolitici’
Ondanks zijn hoge leeftijd was de elder statesman nog regelmatig te zien in tv-programma’s en bij congressen van de sociaal-democraten. Binnen de SPD bleef hij enorm populair.
De Hamburger werd gezien als een nuchtere pragmaticus, die een broertje dood had aan ‘protestpolitici’ die waren voortgekomen uit de studentenbeweging. Mensen met een visie adviseerde Schmidt “om naar de dokter te gaan”.
2. Brief Gymnasium:
(1) Geht das Zitat “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” tatsächlich auf Sie zurück? (Angeblich haben Sie es im Bundestagswahlkampf 1980 auf Willy Brandt bezogen.)
(2) Falls ja: Erinnern Sie sich noch, in welchem Kontext Sie diese Aussage gemacht haben? Wurde sie eventuell aus dem Zusammenhang gerissen?
(3) Würden Sie heute (unabhängig davon, ob Sie der Urheber des genannten Zitats sind) auf die Frage, ob Politiker Visionen haben müssen, ebenfalls auf den Gang zum Arzt verweisen – oder würden Sie die Antwort aufgrund Ihrer derzeitigen politischen Erfahrungen modifizieren?
Wir würden uns sehr freuen, wenn Sie uns hierzu Auskunft geben könnten.
In der Hoffnung auf Ihre Antwort verbleiben wir
mit freundlichen Grüßen
Anna Carla Kugelmeier
—-
Sehr geehrte Frau Kugelmeier,
besten Dank für Ihren Brief vom 30. Januar. Zu Ihren Fragen:
(1) Das Zitat geht auf mich zurück. Ich habe es damals aber nicht mit Blick auf Willy Brandt formuliert.
(2) Ich erinnere mich nicht mehr an den Kontext, in dem ich mich über Visionen geäußert habe. Das Zitat wurde bestimmt des Öfteren aus dem Zusammenhang gerissen zitiert.
(3) Das Zitat gilt auch heute, es bezieht sich damals wie heute auf Politiker.
Mit freundlichen Grüßen
Helmut Schmidt

Der Briefwechsel datiert auf den 30.1. bzw. 26.2.2009.
3. De eerste vermelding van het vermeende citaat:
Doch die Bürger störte das alles nicht. Schmidt profilierte sich im folgenden Jahr im Kampf gegen den RAF-Terror und wurde 1980 trotz eines pomadigen Mottos – “Wer Visionen hat, soll zum Arzt gehen” – im Amt bestätigt.
4. Helmut Schmidt betreurt het antwoord:
ZEITmagazin: Wenn man Ihnen so zuhört, könnte man meinen, Sie hätten eine Vision. Dabei haben Sie doch mal gesagt: Wer Visionen hat, sollte zum Arzt gehen.
Schmidt: Diesen Satz habe ich ein einziges Mal gesagt, er ist aber tausendfach zitiert worden. Einmal hätte genügt.
ZEITmagazin: Wie ist er überhaupt in die Welt gekommen?
Schmidt: Das weiß ich nicht mehr. Wahrscheinlich habe ich ihn in einem Interview gesagt. Das muss mindestens 35 Jahre her sein, vielleicht 40. Da wurde ich gefragt: Wo ist Ihre große Vision? Und ich habe gesagt: Wer eine Vision hat, der soll zum Arzt gehen. Es war eine pampige Antwort auf eine dusselige Frage.

Zonder taal gaat het niet

Het academisch talenonderwijs is van grote, culturele en dus ook economische waarde.

Onderstaand in de Mare op 2 april 2015 ingestuurd opiniërend artikel is mijn antwoord op de vragen die de beweging “De Nieuwe Universiteit” inzake het talenonderwijs opwierp.

Universiteiten vergeten in hun onleesbare instellingsplannen vol muisgrijs uitzendbranchejargon het enorme belang van talenonderwijs, schrijft Emile van Brakel. Hoog tijd voor eerherstel, of zo u wilt, hervalorisatie.

Wat is er over van de academische geest die de gemeenschap intellectueel aanvuurt, en waarin bijvoorbeeld een student rechten colleges Frans volgt omdat hij zich wil verrijken? Die geest is allang weggevlogen. Nederland is bij goed (middelbaar) onderwijs gebaat, omdat niet alleen in de handel, maar ook in de wetenschap talenkennis waardevol is: de Duits- en Franstalige wetenschapswereld is een andere dan de Engelse.

Spandoek Maagdenhuis
“Laat de Talen niet verschralen!”
Maagdenhuisbezetting, 2015.
Auteur: eigen werk

Toch daalt het niveau in alle talen, waaronder het Nederlands, al decennia lang. Het daalt en daalt en daalt tot in blatant nihilisme. Sommige scholen bieden de vakken Frans en Duits niet meer aan bij gebrek aan leerkrachten. Het is tijd om deze vakkrachten, een ‘product’ van geesteswetenschappen, te herwaarderen en dit tot uitdrukking te laten komen in een slimmere onderwijsfinanciering. Het is bovendien noodzaak dat door het hele land de klassieke studierichtingen Duits en Frans blijven worden aangeboden.

Universitaire bestuurders zijn gebonden aan zogenoemde instellingsplannen. Dit zijn onleesbare documenten in muisgrijs uitzendbranchejargon. Het Universiteit Leiden Inspiratie en Groei Instellingsplan 2010 ‐ 2014 spreekt over ‘proactief academisch ondernemerschap’ waarin men moet ‘zoeken naar mogelijkheden om de baten te vergroten’. De UvA stelt in het instellingsplan Oog voor Talent dat zij ‘van alle wetenschappelijke medewerkers verwacht dat zij extern acquireren’.

Hierin schuilt een probleem voor bepaalde onderwijsrichtingen voor welke er niet goed een andere financiering denkbaar is dan de publieke eerstegeldstroom. Er zijn vele universitaire producten die niet direct vermarktbaar zijn: op het octrooi van de Senseo kun je geld vangen, geen bedrijf echter zal ooit een cent neerleggen voor een leraar. Zijn zulke producten daarom meteen niet – het grote toverwoord! – valoriseerbaar? Neen natuurlijk niet! Er zijn heel veel zaken die je niet kunt verkopen op de markt, maar die toch van grote waarde zijn, omdat de markt zelf niet buiten hen kan bestaan. Zonder taal gaat het niet.

De minister van Onderwijs ziet dit ook in, getuige haar brief aan de Tweede Kamer van 3 maart jongstleden: ‘De waarde van een (kleine talen-)opleiding staat […] niet gelijk aan het aantal studenten dat een opleiding volgt.’ Om vervolgens te stellen dat het aan de lokale besturen is om beslissingen te nemen: ‘Juist om het instellingbeleid niet afhankelijk te maken van het aantal studenten per opleiding, biedt de huidige lump sumfinanciering instellingen de ruimte om de middelen in te zetten waar ze het hardst nodig zijn.’

Maar waar is dat dan? De beslissing blijft vooralsnog uit.

Al in februari 2013 schreef de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in de kritische reflectie Effecten van universitaire profilering en topsectorenbeleid in de wetenschap in Nederland: ‘In de prestatieafspraken staan beloftes voor toekomstige opleidingsrendementen. […] De consequenties hiervan zijn op dit moment nog niet te overzien, maar een maatschappelijk ongewenst effect kan zijn dat in bepaalde vakgebieden onvoldoende leraren worden opgeleid.’

Het wordt tijd om in te zien dat het handhaven van het onderwijsniveau door de zelfstandigheid van studierichtingen als Duits, Frans, of Italiaans te garanderen, op rijksniveau bezien, werkelijk niets kost. Dit temeer omdat het blijven aanbieden van de klassieke studierichtingen, het vormen of aanbieden van andere, studierichtingen-doorsnijdende curricula niét in de weg staat. Met de KNAW wil ik de minister en haar beleidskaders vooral op het hart drukken, niét het beproefde kind met het badwater weg te gooien. Excellentie, garandeert u de expertise!

Het is de hoogste tijd dat de waarde van het gehele talenonderwijs, met name van Frans en Duits, opnieuw wordt vastgesteld, gehervaloriseerd zo u wilt. Ten eerste omdat onze kinderen geen direct vermarktbaar product afnemen, maar een taal en cultuur deelachtig willen worden. Ten tweede omdat hernieuwd niveau, elan, samenhang en opbouw van het gehele talenonderwijs, van het primaire niveau af, de bitterste noodzaak is.

Als de minister besluit om nóg verder geografisch af te slanken door nog maar op een of twee plaatsen Duits of Frans aan te bieden, betekent dit dat het academisch leraarschap voor deze schoolvakken wordt opgegeven, omdat met geen mogelijkheid aan de landelijke behoefte aan vakbekwame vwo- leraren kan worden voldaan. Dán worden pre-academici nog alleen maar onderwezen door non-academici. Dat wil Nederland niet.

Academisch gevormde talenstudenten zijn de fine fleur, achter wier bestaan vele mensen, oneindig veel cultuurgoed en daarmee ook grote economische activiteit schuilt, die zich weliswaar niet direct toont, maar tegelijkertijd onvervangbaar is. Niemand weet precies wat de waarde van een leraar Frans of Duits is die jarenlang les geeft, omdat niemand kan zeggen wat alle leerlingen gaan doen.

Wel weet ik dat zo’n leraar een steeds grotere zeldzaamheid is geworden.

Emile van Brakel schrijft zijn letterkundig proefschrift in het Duits, denkt mee met De Nieuwe Universiteit Leiden en heeft enkele jaren in het middelbaar onderwijs als leraar gewerkt.

Gepubliceerd op: http://www.mareonline.nl/archive/2015/04/01/opinie-zonder-taal-gaat-het-niet