Emile van Brakel

Ik ben de beul

January 2nd, 2012 · fictie, Nederlandse letterkunde, recensies

Met het schrijven van negatieve recensies heb ik altijd moeite, want ik denk toch weer aan de schrijver, wiens geesteskind ik vermoord. En daarom: mea culpa, mea culpa maxima. Zo, hierbij, mijn schuld opgebiecht, al bij voorbaat! Heb ik het recht om iemands letterkundevrucht de aarde in te schoffelen? Weg te wieden, omdat ik het in mijn tuintje als “onkruid” bestempel? Heb ik dat recht?

Ja toch, dat recht heb ik: als lezer, als ontvanger, als recensent die zijn argumenten ondersteunt. Maar meteen geef ik toe: ik had het nóg meer, als ik ooit zelf een plantje zou poten in de letterkundetuin, én ook nog eens dát toegegeven, blijft het recht om te wieden onaangetast: een letterkundige recensie is géén objectief waardeoordeel, al wil zij wel soms steunen op literatuurwetenschappelijke termen. In die zin blijft de laborant altijd onderdeel van het experiment.

Weet-je wat het is? Het is echt, echt, diep ellendig om een letterkundig plantje weg te moeten wieden, vanwege de teler! Noem mij een slapperd, een sentimentele geest, een watje, maar ik denk altijd aan de mens die dat mislukte letterkundeplantje gezaaid heeft: ik neem namelijk aan dat hij er uren aan besteed heeft, het met liefde en zorg omringd heeft, gepoetst, opgewreven, omgevormd en dan, dan komt er iemand en zegt: “VALS! Opnieuw!”

Dat is niet zo lief. En dat weet ik. Ik ben de beul. Mea culpa. Ooit heb ik eens, voordat ik iets heel viezigs uit de tuin ging rukken, even gedacht, misschien moet ik doen aan geestelijke zorg? Dat ik dan de schrijver in kwestie opbel:

“Nou, hier ben ik! Morgen zal ik schrijven dat uw boek slecht is. Maar heus, gelooft u mij, er zitten enkele goede dingen in, maar nu hebt u mij met uw pennenvrucht zo onbetamelijk geërgerd dat ik de papieren misgeboorte in de gemeentelijke papierbak gedonderd heb. Ik kón niet anders! Maar wil-u nu asteblief gewoon dóór blijven ademen en u niet voor de trein gooien? Wellicht, als u in’t vervolg nu dit en dat doet, dan… Maar ja heh, déze poging, dít boek, dit doorolmd stuk wrakhout, dit stuk pisstront, deze giga-kakdoos, móest ik weggooien! Verschoning! Nou, dag hoor!”

En tsja, dat doe je dan niet. Dat is te mal, want van ons “volwassen mensen” wordt verwacht dat wij tegenslagen zonder overtrokken emotie nemen. Dat lukt natuurlijk niet. De telers wier werk ik heb weggegooid, hebben mij een moment vervloekt. Ik weet het. En dat deden zij ook met recht: ik ben hun beul. Ik ben hun wieder, en ik gooi en maal en zaag hun werk weg. Mea culpa.

Gelukkig is viervijfde deel van de door mij gelezen en beoordeelde plantjes heel goed. Die strijk ik onder de blaadjes en die krijgen nog wat water; ik ben soms de beul, vaker echter ben de aanmoediger.

Mea laetitia! Da’s “Latijns” voor vreugde.

→ Geen reactiesKernwoorden:·

Wie is die rode smiling lady?

October 29th, 2011 · landeskunde, opinie

Twee lezers van mijn vorig postje (een dame en een heer, onafhankelijk van elkaar) over de clip bij “When the lady smiles” lazen scherp en schreven mij, dat ik ernaast zat en dat er wél degelijk een non in de metro verkracht wordt. Er is in de clip namelijk sprake van een gedaanteverandering! De eerste, de oorspronkelijke (misschien wel “de echte”?!) non verandert in een roodharige, terugzoenende non. Op grond van deze gedaantewisseling zou dús non nr. 1 verkracht zijn. Die interpretatie ligt voor de hand, maar ik denk nog steeds dat na visuele en textuele analyse van “When the Lady smiles” én na invulling van het juridische begrip verkrachting, i.e. binnendringen van het lichaam eens anderen tegen diens wil, de vraag blijft, óf er een non verkracht wordt.

Toen ik twee jaar terug zo vlugtig, ja toe- gegeven! slordig, schreef, “Wat ziet de kijker?”, ging ik uit van de personale vertel- instantie van de hoofdfiguur op dat moment: de kijker ziét de, althans “een”, non in rode bh terugzoenen.

Alleen, deze terugzoenende non bestaat alleen in het vertelperspectief van de obsessief verliefde, de man die later “behandeld” wordt. In diens personale vertelperspectief zoent non nr. 2 alias “De Rode Dame” heftig terug.

Máár, en dat had ik onder het vloerkleedje geschoven, de kijker kan uit het auctoriale perspectief afleiden, dat buiten het enge blikveld van de zoenende psychopaat  non nr. 1. iets sociaal onfraais overkomt. Dat leidt de kijker af uit de reacties van de metro-reizigers: de zoener wordt weggetrokken en krijgt het kaartje van een psychiater.

Maar wát er nou precies “echt en precies” buiten het psychopatenblikveld gebeurt, blijft verborgen, omdat de auctoriale vertellijn op dat moment afbreekt. Daarom is die clip ook zo goed! Je wordt gedwongen om méé te gaan in de weergave van de psychopaat: ik zoen met De Rode Dame! Maar is dat zo?

Als non nr. 2 alias De Rode Dame al “echt’ bestaat, betekent het dan ook dat non nr. 1 tegen haar wil in is gezoend en daarmee “verkracht”? Dat is en blijft de vraag: van psychopaten valt doorgaans weinig objectiviteit in waarneming of weergave te verwachten.

Ik kan niet anders dan uitgaan van gekleurde belevenissen: ik weet niet wat er “echt” gebeurt met non nr. 1: misschien rukte de psychopaat alleen maar aan het habijt, trachtte hij haar te zoenen, gilde non nr. 1 en reageerde het publiek dáárop al verontwaardigd. Ik weet het niet: de muziekvideo vertelt daar niets over. Dit geldt mutatis mutandis voor de secretaresse: wij weten niet, wát er echt in de lift gebeurt. (Zag u trouwens Huub Stapel uit “De Lift” voorbijkomen?) Wij zien wel dat zij door elkaar geschud wordt, dát zou met enige zin voor juridische exegese te qualificeren zijn voor aanranding; voor “verkrachting” volstaat het zeker niet. Is de secretaresse tegen haar wil in gezoend? Is de daad volvoerd? Ik weet het niet. Het blijft de vraag: de muziekvideo vertelt daar niets over.

Waarom wordt de psychopaat, de potloodventer-in-regenjas, veroordeeld tot dwangverpleging en niét tot de gevangenis? Dat is simpel: hij wil geen onwillige nonnen of secretaressen zoenen, hij wil “De Rode Dame” zoenen! Dat is een groot verschil met verkrachters: de opzet om de non of de secretaresse schade toe te brengen ontbreekt, sterker nóg, hij ziét alleen “De Rode Dame”, die hij wil zoenen. Zijn vermogen om te zien is letterlijk gestoord: hij ziet, wat hij wenst te zien.

De psychopaat is daarmee juridisch gezien niet-toerekeningsvatbaar; hij wordt tot dwangverpleging veroordeeld. Is daarmee ook de daad “aanranding” tenminste niet voltrokken? Ja, dat het lijkt zo te zijn, maar de kijker weet dat niet precies: hij hoort de rechterlijke uitspraak niet. En tussen grote haken, die rechters worden ook niet al te fris afgeschilderd! In elk geval, de patiënt wordt van alle rechtsvervolging ontslagen en overgeleverd aan een sjofele professor neurologie, typje blij-dat-ik-snij, die een fraai anatomisch theater bouwt.

Neem ik het hier op voor psychopatische potloodventers met een voorkeur voor madonna-gelijke Rode Dames? Neen. Ik wantrouw alleen hun weergave van de werkelijkheid en kan als kijker van het filmpje alleen afgaan op wat ik te horen en te zien krijg uit het auctoriale standpunt, wat nu eenmaal momenten oningevuld en daarmee vragen open laat.

De tekst van “When the Lady smiles” brengt ons niet heel veel verder met de verkrachtings- vraag. Wel is duidelijk dat de man tenminste in zijn eigen hoofd opgesloten zit: “When the walls no longer shout back at me.”

Is De Rode Dame een slachtoffer? Nou, in de tekst leidt zij ook: “When the lady smiles / She holds me in her hand / As a matter of fact, she could always let me down.“  Zij immers “is leading the way.”Alleen, en dit is het probleem, de tekst is louter geschreven uit het perspectief van de obsessief verliefde.

Als ik alleen luister naar de tekst, kan de hoofdfiguur wel een student zijn, die vol hoop en jenever tegen beter weten in thuiskomt, na een avondje met zijn rode dame. De tekst heeft het niet over nonnen of secretaressen; er is maar één geadoreerde. In de tekst sec komt de verliefde naar voren als iemand die wij allemaal wel eens tegenkomen: een hopeloos verliefde snoeshaan. En vrienden hadden hem (Is hij een hij? Ook dat blijkt niet uit de tekst) nog zo gezegd dat ze “a fallen angel” was.

Ach ja, het is erg. Jongens en mannen kunnen heel erg verliefd worden. Dat weet ik trouwens zeker, en dat buitentekstueel.

Over de kwestie zie men ook het Volkskrantartikel “Clinton graaft eigen graf”: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2676/Cultuur/article/detail/884074/2008/01/29/Clinton-graaft-eigen-graf-met-lied-Golden-Earring.dhtml

→ Geen reactiesKernwoorden:·······

The Golden Earring’s Smiling Lady

October 13th, 2011 · landeskunde, opinie, persoonlijk

Eind januari 2008 berichtten verschillende media, naar aanleiding van een onoplettend mailtje van NRC-journalist Jeroen van Bergeijk, dat Hillary Clinton in haar campagne het lied “When the Lady smiles” van de Golden Earring gebruikt had, klaarblijkelijk niet wetende dat “hierin een non verkracht wordt”, zo het NRC-bericht.

Zulk nieuws reist nu nooit meer per e-mail, electronische post, maar per tweet, “Twitter-bericht”; het is opmerkelijk hoe groot de slagkracht van een gerucht in een bepaald medium verandert, in drie jaar tijds.

 

 

 

 

 

 

 

Destijds heb ik met het volgende open briefje aan de opsteller van het berichtje, dhr. Van Bergeijk, betoogd dat de smiling lady niet verkracht wordt. Anno 2011 gaat het om de verbazing over de vluchtigheid van nieuwsgaring uit een bepaalde bron (hier: één e-mail); een verbazing die evenredig groeit met de hype-gevoeligheid van geachte journalistieke kanalen.

En ja, bijgevolg moet Hillary Clintons campagneleiding een groter artistiek invoelingsvermogen gehad hebben dan schutblaadjes als Dag of Metro, de papieren wegwerpkrantjes die toentertijd opgeld deden, maar dat wisten wij. Ik post dit bericht opnieuw, niet alleen vanwege bovenstaande observaties, niet alleen omdat mijn brief toen heel “kek” was, maar ook omdat “When the Lady smiles” een supernummer is en onaangestast blijft staan waarvoor het staat: aantrekkingskracht – Mag ik, zal ik?
__________________________________________________________________________________________________________________________________________________________

Geachte Heer van Bergeijk,

U schrijft op de voorkant van de NRC Handelsblad - site dat u verbaasd was dat uw mailtje over de Golden Earring-clip, “When the Lady smiles”, na 24 uur voorpaginanieuws was. Dat ben ik eens met u, temeer daar klaarblijkelijk andere bloggers en media klakkeloos overnemen dat de non in de prachtige clip van Dick Maas verkracht wordt. Dát blijft de vraag.

Wat ziet de kijker? Het nonnenhabijt wordt bruusk opengetrokken, een wellustige rode bh komt te voorschijn, de non en de belager zakken zoenend in katzwijm neer.

 Is dit een verkrachting? Even later wordt de belager in een rechtzaak beschuldigd én veroordeeld omdat de dames beschuldigend met de vinger wijzen, waarna de veroordeelde dankzij een lobotomie “genezen” wordt: de mannelijke lust wordt hem letterlijk uitgesneden en voor de honden geworpen.

Daarmee is het verhaal van dit lied en het bijbehorende filmpje een moderne variant van antieke Daphne-mythe: de boterverliefde Apollo jaagt de arme Daphne achterna, die door de kuren van Eros ongevoelig voor Apollo’s avances is gemaakt. –Maar zou ze anders ook zo ongevoelig zijn geweest?– Daphne verandert in een laurierboom zoals de roodharige, vurig zoenende dame uit de clip verandert in een kuis verzorgende verpleegster, die de ontmande, van vuige lusten bevrijde patiënt rondrijdt.

De mythe en het lied gaan over eros en thanatos, over geilheid en zedelijkheid: je weet immers nooit wat er ónder het habijt schuilt.

Was u, en velen met u, de rode bh ontgaan?

Met vriendelijke groet,
Emile van Brakel

———
LINK naar NRC-artikel:
http://vorige.nrc.nl/article1881066.ece

 

→ Geen reactiesKernwoorden:·········

Letterenlust – hard en teder

August 18th, 2011 · fictie, Nederlandse letterkunde, recensies

Met veel genoegen heb ik voor 8weekly, het podium voor culturele recensies, Hard en Teder besproken:

Hard en Teder, samengesteld door Thomas Blondeau i.s.m. Jojanneke van den Berge, bundelt pareltjes die behagen, kundige kluchtigheden, schrijnende pijnlijkheden, en obsolete, ja zelfs obscure, fantasietjes. Hard en Teder is een veelkruidige verzameling. 

Een eroticum kan niet volstaan met louter geilige omschrijvingen van dé daad in al haar aspecten: een aaneenrijging van vieze woordjes boeit nauwelijks. Iedereen gaapt tegenwoordig – en dat terecht – bij de neuzelende pornoverhaaltjes van Jan Cremer, al staat op elke bladzijde wel ‘kut’ of ‘lul’. Een geslaagd eroticum moet literair meer bieden; het moet een prikkelend kleinood zijn.

Leest u verder op: http://www.8weekly.nl/artikel/9366/thomas-blondeau-hard-en-teder-letterenlust.html

→ Geen reactiesKernwoorden:···········

Voor de zondeval – Wagenaar en Sesamstraat

August 12th, 2011 · fictie, landeskunde

Sesamstraat – een begrip uit beton; iedereen herinnert het zich. Dácht u! Néén!, zo leert mijn wijlen rector magnificus, de heer prof. dr. Willem Wagenaar: herinneringen kunnen met terugwerkende kracht geïmplanteerd worden. Men méént zich iets te herinneren, en dat is ook zo met Sesamstraat. Nu is mijn ervaring met het door Wagenaar gestelde volledig gelijkluidend en derhalve wantrouw ik mijzelf, zoals u ook zou moeten doen. Ik bedoel, niet alleen mij, al raad ik u het aan, maar vooral ook uzelf en dát raad ik nog meer aan, vooral, als het gaat om canonieke programma’s als “Sesamstraat”.
En nu wil ik uitnodigen voor een spelletje! Vreest u niet: het is tamelijk simpel en er valt gelukkig niets mee te winnen, behalve dan scherpte des geestes.

Sesamstraat is van 1976 tot nu toe doorlopend uitgezonden. Er is zodoende  een dag geweest dat u in uw kinderstoel zat met uw brinta en dacht, heeeee, dít is Sesamstraat, dit is mooi, dit is mijn programma! Juist, naar die dag willen wij terug, de dag vóór de zondeval.

Het spelletje gaat als volgt: bekijk de Sesamstraat-intro’s en roep alleen hoera, als u zéker weet dat u het zich herinnert. Klikt u hier op uw uw Sesamstraat-intro! (http://www.youtube.com/watch?v=LSM75Bv0Pf8)

Maar, en nu komt het grote maar: niet vals spelen! Tussen (leren) kennen, weten, zich herinneren en opnieuw leren kennen is verschil. Dat lijkt duidelijk, maar dat is het niet. Kijk, het is  eenvoudig om mij ergens voor de televisie neer te zetten, ergens begin jaren tachtig, ergens tussen de herhalingen van Floris. Dan zou ik deze mij herinneren en voor ik het zelf doorheb, meen ik mij de eerste uitzendingen te herinneren. Alleen dat zou wel héél knap zijn: de eerste uitzendingen van Floris hadden plaats voor mijn conceptie.

En daarom moet u zichzelf wantrouwen, want ook in u schuilt dit soort gemak waarmee schrijvers de wereld herscheppen. Bij dit spelletje moet er een innerlijk belletje afgaan: nee, dat herinner ik mij niet! Alles wat u zich meent ter herinneren, of later hebt gezien, telt bruut niet mee.

Hoe werkt het bij mij in het geval van Sesamstraat? Wel, bij Pino in het nest uit 1977-78 krijg ik warme gevoelens. Die gast in dat nest ken ik toch? Maar weet ik zeker? Nee, ik zou het voor de rechter niet kunnen herhalen. Na enige aarzelende, maar steeds sterker wordende herinneringen, weet ik het zeker: ik word inténs, maar dan ook intens blij en gelukkig en ook heel erg springerig bij het geluid van de rennende kinderen uit 1982. Ik bén een van die kinderen uit 1982.

Hoe kan ik het omschrijven? Ik ben thuis: appeltaart, oneindige tuin, zon, zoen van moeder, ik krijg grote tanden, de Koningin is lief, Sinterklaas ook, ik moet nog blokfluit spelen; alles klopt. Een wereld vóór de zondeval.

Speelt u het spelletje en wellicht denkt u, net als ik, wat doet die rotmuis hier? Die muis heet “Ieniemienie” en zij heeft de schuld aan alles.

Zij was er niet in mijn vroegste indruk -of was het een herinnering?- en niet alleen daarom moet ze weg, haar naam is even bespottelijk als haar pieplach kranjorum is. Zij is erin geslopen; het is der muizen aard om een paradijs heimelijk en gemelijk piepend te verstoren. In deze lijn behoeft het geen betoog dat meneer Aart terug moet: hij was er altijd.

Mijn verontschuldigingen aan hen die door de datum hunner conceptie of door hun destijdse plaatsing in de wereldorde, zoals geografische locatie, niet in staat zijn geweest om Sesamstraat te bekijken of al bezig waren met ander canonieks, de werken van Tolstoj bijvoorbeeld. Dat begrijp ik. Ikzelf voel een diepe genegenheid, met terugwerkende kracht voor de Afrikaanse tegenhanger van Sesamstraat, namelijk “Haas Das se Nuuskas”. Ek was sommer daar! Jy verstaan vir my?

 

 

 

 

Er zijn luttele bewegingen nodig om het mij te herinneren.

P.S. Het mooiste is wel dat Sesamstraße het begin aller dingen is, als het om Duits gaat, maar dat wist u al, toch?

→ 2 reactiesKernwoorden:··············

Voor de zondeval

June 6th, 2011 · fictie, persoonlijk

Dwars door de najaarsstorm, dwars door de twijfel van een 14-jarige, jaag ik mijzelf naar buiten, want labrador Trees moet uit. Hoge populieren zwaaien, gooien takken op mijn weg en sissen. Populieren sissen in harde wind,
waarschijnlijk omdat ze zo hoog zijn. Maar ik trap door op mijn fiets, uit mijn walkman barst Mozart op een lauwe batterij, mijn dynamo zwiep- zwabbert op het voorwiel. Als een heuveltje hikt, hikt het bandje mee. Maar, al te duidelijk versta ik, zonder kennis van Italiaans: “Respondi mi! – Antwoord mij!”

Geen idee waarover de mannen zingen, maar zij worden de populieren die roepen: Antwoord, geef verdomme antwoord! Nu, ik doe je wat, vandaag nog!

Godzijdank is het maar een loopje met de hond en de walkman en begrijp ik alleen nog maar die oervraag, want de rest is nog veel erger – een loopje met belofte en schuld en seks en dood –véél te véél voor mij: ik ben pas 14. Trees en ik zijn snel weer thuis.

Koekje?! Oortjes omhoog.

→ Geen reactiesKernwoorden:·········

Peter Sloterdijk: de co-immune mens!

May 22nd, 2011 · Duitse letterkunde, recensies

Voor 8weekly heb ik met plezier Sloterdijks nieuwste boek besproken. Hieronder staat de tekst, waarin ik Sloterdijks toekomstvisioen van ”de co-immune mens” samenvat. In de uitzending van het VPRO-programma “Boeken“, waarin Sloterdijk te gast was (begin bij 34 minuten), bleef dit begrip in de lucht hangen.
_________

Zo’n 280 kaaskoppen luisterden op vrijdag de dertiende naar de wereldberoemde Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Eigenlijk hadden 20 miljoen Nederlandssprekenden Sloterdijks boodschap moeten horen: de co-immune mens sta op!

Een academisch filosofische lezing ter gelegenheid van het uitkomen van Je moet je leven veranderen, de voortreffelijke Nederlandse vertaling van Du musst dein Leben ändern, zal in het algemeen weinig mensen trekken. Als bovendien de voertaal Duits is, wordt het publiek nog kleiner. Bijgevolg toog er een honderdtal mensen vrijdag 13 mei 2011 naar Felix Meritis te Amsterdam voor Sloterdijks lezing.

Filosofische rijkdom voor weinigen

Een honderdtal kritisch luisterende mensen, wier gemiddelde leeftijd rond de 45 ligt, mag gerust een groot aantal voor dit land worden genoemd: nog afgezien van het onderwerp, voor velen is academisch Duits eenvoudigweg te lastig (geworden). Dat is jammer, want Sloterdijk is een buitengewoon onderhoudend en charmant spreker die de juiste dosering tussen ernst en ironie treft. De vragensteller, prof. dr. René ten Bos, hoefde maar weinig gedachten op te werpen om uitgebreide en doorwrochte antwoorden te krijgen.
Sloterdijk, literator maar ook televisiepresentator, associeert met gemak een kwartier lang op een vraag, waarbij hij peurt uit zijn schijnbaar onuitputtelijke kennis en ervaring. Literaire, filosofische, kunsthistorische, zelfs natuurkundige themagebieden bewandelt hij, waarbij hij uiteindelijk met een glimlach op het oorspronkelijke uitgangspunt terugkeert.

Met een glimlach

Zoals Sloterdijk spreekt, zo schrijft hij ook: ‘mit einem kleinen Lächeln’, met een genoegzaam, provocant en charmant glimlachje. Sloterdijks boek begint met het blootleggen van de processen die schuilgaan achter geïnstitutionaliseerde godsdienst en religiositeit in het algemeen. Dit doet hij niet volgens de bekende, tot vervelens toe herhaalde standpunten (darwinistische, creationistische, enzovoort), hij zet trefzeker de bijl aan de wortel van het discours:
We moeten opboksen tegen een van de massiefste pseudo-evidenties van de recente geestesgeschiedenis, namelijk tegen het pas sinds twee- of driehonderd jaar in Europa heersende geloof in het bestaan van ‘religies’, sterker, tegen het ongefundeerde geloof in het bestaan van het geloof. Het geloof in de feitelijkheid van ‘religie’ is het element dat gelovigen en niet-gelovigen nog steeds met elkaar verbindt.
De doorwrochte en uitgebreide argumentatie van Sloterdijk grovelijk tekortdoend, gaat het erom dat niet slechts een bepaalde godsdienstbeleving cultureel opgelegd wordt (ook het begrip ‘cultuur’ is al een groot misverstand), maar dat Sloterdijk ‘het talent voor religiositeit’ beziet als een psychoneurotische neiging: een ‘oefening’ in Sloterdijks idioom, een herhaling ter verbetering, zoals het leven, deze ‘orgie van repetiviteit’, er vele kent.

Leven: orgastisch oefenen
De ‘religiositeitsoefening’, de dagelijkse oefening in godsdienst, legt hij uit aan de hand van het gedicht ‘Archaïsche torso van Apollo’ van Rilke. Dit gedicht beschrijft de gewaarwording van beschouwing: de aanblik van een marmeren mannelijke torso is dermate indringend dat niet langer alleen de toeschouwer de torso beziet, de torso kijkt terug! Sterker, hij ziet in zijn volmaaktheid dwars door de toeschouwer heen. Rilkes innerlijke stem besluit het gedicht haast beduusd: ‘Zo doorleven kun je niet’ – en passant de bron van Sloterdijks boek – pure intertekstualiteit.
Sloterdijks bezwaar tegen Rilkes observatie is dat subject en object worden omgedraaid. Een stenen torso kan immers niet terugkijken in de natuurkundige zin des woords. Neemt iemand, op het moment dat hij het gedicht leest en zich in Rilke verplaatst, aan dat het marmeren beeld ‘echt’ terugkijkt, wat natuurkundig bezien een onmogelijkheid is, dan verricht hij een ‘microreligieuze handeling’, aldus Sloterdijk.
Hier overtuigt Sloterdijks argumentatie en slaat hij de spijker op de kop, zo hard dat deze door de plank heengejaagd wordt. Jazeker, poëzie, religie en exegese werken met analogieën, maar het doorzien van het analogisch principe is nog geen anti-godsbewijs, zou je Sloterdijk willen toevoegen. Werkt immers de natuurkunde ook niet met analogieën?

De co-immune mens

Hier staat tegenover dat het boek niet een groot pleidooi tegen de godsdienst is; eerder een pleidooi voor een zelfkritische omgang daarmee. Verdedigbaar is zelfs dat Sloterdijk oproept tot een nieuw besef, dat in zijn volstrekte nuchterheid door geen enkele godloochenaar valt te ontkennen. De mensheid zal in zichzelf stikken op deze aarde als haar bronnen uitgeput zijn (bevolkingsoverschot, milieurampen) en daarom pleit Sloterdijk voor de ‘co-immune mens’, de samenwerkende mens, die de grens tussen zichzelf en de ander in beschaving overwonnen heeft. Mijn belang is zijn belang, mijn nood is zijn nood.
Want, aldus Sloterdijk op de lezing: ‘Der Mensch ist eine schutzbedürftige Einheit’ – De mens, een voorwerp dat het beschermen waard is. Het lijkt verdorie wel een christelijke, herstel, humane idee.
Waarom de lezing niet met de ‘Ode an die Freude’ uit Beethovens Negende werd besloten, is een raadsel: ‘Alle Menschen werden Brüder!’ Het had gekund en het had gepast: Sloterdijks geestestuin is een rijk en wijd en volmaakt cultuurlandschap, waar letzten Endes ieder ieders broeders hoeder is, of noodgedwongen moet zijn.
Maar wat nou als er iemand Kain heet?

→ 1 reactieKernwoorden:············

Knijpkat

May 4th, 2011 · landeskunde, persoonlijk

In 1942 trouwden mijn grootouders. Door stom toeval marcheerde er, juist op het moment dat zij uit het stadhuis kwamen, een troep Duitse soldaten voorbij, luid zingend. Er was geen camera om iets van dat verbluffende voorval vast te leggen. Niemand had technisch slimme talismannetjes waarmee je overal en altijd met iedereen in contact staat.

2010: mijn grootvader overlijdt en ik krijg zijn levenslange talisman: een knijpkat, een zaklamp zonder batterijen, “mocht het licht uitvallen”. Ik zoek op internet naar gegevens over de zaklamp, vul het typenummer in, en lees over het Philipskommando in kamp Vught. In betrouwbare stroomvoorziening kon niet meer voorzien worden; in regelmatige aanvoer van tewerkgestelden wel.

En ook de herinneringen van mijn grootmoeder aan haar huwelijksdag, “Ze zongen luidkeels Gerda, Ursula, Marie, Marie!”, treffen ook online meteen raak: een Youtube-gebruiker biedt unverfroren de mars aan, waarop mijn jonge grootouders getrakteerd werden.

Voorzichtig heb ik de talisman van mijn grootvader gerestaureerd, niet omdat het licht uitvalt –dat gebeurt toch– het is eerder omdat niet meer te achterhalen is, wie hem in elkaar gezet heeft, in 1942.

→ Geen reactiesKernwoorden:·····

Noorderreus dicht

April 18th, 2011 · Nederlandse letterkunde, recensies

Voor 8weekly, website voor recensies van film, theater, literatuur, beeldende kunst en muziek, heb ik met plezier Meindert Talma’s dichtersdebuut besproken.

http://www.8weekly.nl/artikel/9123/meindert-talma-laat-het-orgel-jammeren-noorderreus-dicht.html

Meindert Talma – Laat het orgel jammeren
Laat het orgel jammeren biedt vooraleerst eerlijke gedichten: recht voor zijn raap zoekt Meindert Talma de rafeltjes van de krankzinnigheid op, in onopgesmukte noorderlingenromantiek. De lezer is geroerd en vermaakt, maar hoopt vurig dat hier Talma’s alter ego spreekt, want de authenticiteit is schiftend echt. Meindert Talma is ‘muzikant, schrijver, en nu dus ook dichter’, verkondigt de achterflap. Is het een niet al in het ander besloten? Ja en nee: een gedicht moet het op zijn eigen merites redden, ook zonder muziek. Daarom wordt hier strengelijk de letterkunde-norm aan deze bundel gelegd, waarbij de weegschaal nu eens in evenwicht is, dan weer doorslaat: een gedichtenbundel is geen stapeltje lyrics met een mooi kaftje eromheen, zoals er wel meer geproduceerd worden.

Kom jongske
Er valt wat te lachen in de wereld van deze ik-persoon. Zelfs in wanhoop toont dit figuur zich niet vrij van melancholische spot. Als een zogenaamde lichthelm-constructie tegen de winterdepressie moet helpen – de lezer stelle zich een soort continue zaklamp boven de wenkbrauwen voor – constateert het ik droogjes: ‘De lichthelm deed ik op tijdens het repeteren. / Dat was wel even wennen voor de bandleden.’ De ik-persoon is een eerlijke stuntelaar, een lieve reus, die je het liefst goedmoedig op de schouders zou willen kloppen – kom jongske, zo erg is ‘t toch niet – maar die schouders zitten zo verdomde hoog!

Een enkele keer veroorlooft Talma zich een luie verwarring tussen proza en poëzie, wat te zien is in het ophakken van zinnen in korte regels en het weglaten van leestekens. Zo’n lui gedicht is Topvorm: ‘De sporen / van een / jolige avond / en dito nacht / zijn moeiteloos / te ontdekken / op het wit / weggetrokken bekkie.’ De zin is apodictisch, maar waarom hem opgehakt? Waarom een nieuwe regel voor de woordjes ‘van een’? Hoeveel kan een lezer in deze twee woorden met alle beste wil van de wereld lezen? Veel, toegegeven, en tegelijkertijd bitter weinig. Deze luie wijze van poëzieproductie is een uitzondering in deze lustig experimenterende bundel. De 55 gedichten variëren sterk in vorm en inhoud, maar er zijn minstens tien zo goed, dat zij ‘niet onopgemerkt gebleven zijn’.

Broos en verwondbaar
Een van de potentieel klassieke gedichten is het volgende:

Eenenveertig
Ik ben eenenveertig
de beste leeftijd voor een man.
Maar er wringt wat
er wringt altijd wel wat.
Mijn hart dat zingt niet
het zingt nooit zo hard.
Als je wat van me wilt
moet je het ruim van tevoren vragen
en als het even kan
nog een paar keer herhalen.
Maar pin mij er niet op vast
en val mij er niet mee lastig
want ik ben klaar om te vallen
zo diep al het maar kan.
Ik ben eenenveertig
de beste leeftijd voor een man.

Meindert Talma (foto Henx Henk Veenstra)

Dit gedicht is in inhoud en vorm klassiek, omdat het stand houdt. Schijnbaar zo rustig opgeschreven vallen de pauzes hier op het juiste moment. Elke regel biedt nieuws, waarom 41 een diep en zwaar hoogtepunt voor een man is, die halfslachtig twee verschillende boodschappen uitzendt. Goed is dat open blijft waarop de 41-jarige niet vastgepind wil worden. Dit is Talma op zijn toegankelijkst. Broos en verwondbaar, en toch ook afgewogen.

Geschiftheid
Het geschifte speelt bij Talma een aanmerkelijke rol: geschift is de absurde inhoud van enkele gedichten die de plank misslaan (De voetbalsnor van Adolf Hitler), maar geschift is ook het onverholen en onverholpen psychologisch in de war zijn, de toestand waar intelligentie doordraaft en met lust en weemoed wegholt. In de naakte en aandoenlijke beschrijving van deze toestand is Talma trefzeker, zoals blijkt uit het bundelgedeelte Breingolf gestuurde spraakvervormer. Hierin neukt een patiënt zijn lustobject Johanna in een kamer vol wanorde, waar het ruikt naar ‘gekookte aardappels met kattenstront’, om daarna maar een geluidsopname van een dampartij op de koptelefoon af te spelen, ‘om het gejank van Johanna’ maar niet te horen.

Talma deugt in oprechtheid. Een oprechtheid die worstelt met een kerkelijke achtergrond, gekte, lust, liefde en het leven als muzikant op het elektronisch orgel; een oprechtheid die spot met ego en wars is van fratsen. In een mogelijk volgende bundel staan vast en zeker nog meer gedichten die zichzelf ook los van muziek redden en scherper in metrum en inhoud zijn. Talma is namelijk, in zijn eigen woorden, een gedreven orgelspelende ‘stadskabouter’, die bij tijd en wijle reusachtig ontroert.

→ Geen reactiesKernwoorden:·····

Ontreddering als detective

March 14th, 2011 · fictie, Nederlandse letterkunde, recensies

Voor 8weekly, website voor recensies van film, theater, literatuur, beeldende kunst en muziek, heb ik met plezier Lubachs nieuwste boek besproken:

In Magnus zet Arjen Lubach in een detectiveachtige verhaallijn verliefdheid af tegen geborgenheid, puberliefde tegen het dertigerschap, en artistieke oorspronkelijkheid tegen verslaglegging van de eigen gekte. Dit onder toevoeging van oerig poëtische beschouwinkjes. Dit boek is lekker! Het charmeert, ontroert en leest als een trein.

De eerste zin van Magnus is: “Er was eigenlijk maar een ding veranderd.” Maar daarmee is alles veranderd. Jeugdliefde Caro is verdwenen uit het leven van Merlijn, de 37-jarige Amsterdamse ik-figuur. De rouw hierom schetst Lubach kundig en heftig, zoals alleen mannen kunnen rouwen die doodziek van liefdesverdriet zijn: totaal en gigantisch. En dan verschijnen er onverklaarbare afschrijvingen op Merlijns creditcardrekening. Hij gaat naar Stockholm om dit te onderzoeken, of is het een vlucht? Merlijn vindt de bedrieger Magnus, maar ontdekt meer. Iedereen heeft wel verzwegen of anders benadrukte feiten in zijn leven; dingen die je niet zo duidelijk hebt gezegd, omdat ze misschien wel te pijnlijk of te privé waren. Wil je je lief pijn doen? Wil je rotzooi van vroeger benoemen?

Psychologische spiegeling
Het hele verhaal is dramatisch gespiegeld: wat in Amsterdam verloren ging, wordt in Zweden gevonden of verklaard. Even mag Merlijn zijn jaren als twintiger overdoen, met een nieuwe liefde. Even werkt zijn escapistisch besluit om te vertrekken. Het toneelstuk waaraan hij schrijft vlot beter, maar dat komt ook doordat de nieuwe ervaringen zijn schrijverijen binnensluipen. Blijft Merlijn daarmee nog trouw aan zijn eigen oorspronkelijke, artistieke uitgangspunt, waarmee hij de Nederlandse toneelwereld versteld wilde laten staan in grootsheid? Dit boek is hybride: het is een half-detective, vervlochten met een zoektocht naar de Eerste Echte Grote Schoolliefde, het lijden daaraan, de eindexamentijd, de studietijd. En wat als een man in het vanzelfsprekende Amsterdamse milieu dit allemaal verliest? En opnieuw begint als en met een twintiger?

Onmacht en afhankelijkheid

Merlijn heeft het verlies niet over zich afgeroepen: de mens heeft niet zelf alles in de hand. Hij is ondergeschikt aan de beperkingen die besloten liggen in karakter, in de manier waarop hij in elkaar is gezet, en de lotgevallen die anderen voor hem bereiden. Vergelijk hiermee Merlijns aandoening, epilepsie, waardoor hij ‘absences’ beleeft, tijdsspannen waarin hij ‘er niet is’. Daardoor is Merlijn afhankelijk van anderen die hem over de niet-beleefde tijd vertellen.

In zijn jacht naar de creditcarddief verzucht Merlijn: “Nog meer dan anders werd het mij duidelijk dat we dieren zijn. Dieren die weten hoe ze roomservice moeten bestellen, maar als het erop aankomt blijven we dieren.” Zulke beschouwingen strooit Lubach her en der rond, als pareltjes die in een plotverfilming nooit tot hun recht zouden komen. Lubach blijkt een poëet: ‘Ze knipoogde en gaf me een kus die de flat omduwde.’

Liefde als aandoening
Wanneer Merlijn het antwoord vindt op het verwijt dat zijn geliefde hem maakte, toen zij hem verliet (‘Jij bent zo fucking hetzelfde!’), waarbij de plotlijnen met filmische kunde in elkaar haken, herinnert de lezer zich het commentaar van de oudere ik op de eindexamen-ik: “Jij valt rechts noch links van de weg af, je raakt soms de berm aan, [...] maar daadwerkelijk ontsporen zul je nooit. Sleep jezelf erdoorheen. Ze zullen je verwijten dat je te weinig doet, maar meer doen kan altijd nog. Het houdt nooit op.”

Op ingenieuze wijze heeft Lubach een detectiveverhaal verweven met een zoektocht naar de drijfveren achter de liefde. In de gejaagdheid waarmee de hoofdpersoon zijn liefdesverdriet sublimeert in een nieuwe verliefdheid, terwijl hij afleiding zoekt in de jacht op een misdadiger, ligt Lubachs verdienste.

Met filmische snelheid schiet de lezer door het emotionele landschap; de periode van eindexamentijd tot eind dertig verschiet in Merlijns herinnering met precisie. Waar de haast naïeve geest van de hoofdpersoon ten volle tot zijn recht komt, had Magnus’ manipulatieve inslag wellicht iets meer achtergrond kunnen krijgen, maar ach, dit is ook geen zwaar psychologische roman. Dit is een lekker verhaal met een strak plot, dat zich hier en daar zelfs bedient van poëtische gedachten.

—————

Ook te lezen op: http://www.8weekly.nl/artikel/9036/ontreddering-als-detective-arjen-lubach-magnus.html

→ Geen reactiesKernwoorden:···